BWBR0002196
Geldig vanaf 1956-02-01
Artikel 3
Instellingsbesluit Bedrijfschap Banketbakkersbedrijf
1. Aan het bedrijfschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de navolgende onderwerpen:
a. het aanbieden en verstrekken van geschenken in de vorm van goederen of diensten;
b. de administratie van ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;
c. de lonen en de andere arbeidsvoorwaarden;
d. de vakopleiding en de vaststelling van de getalsverhouding in ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;
e. de registratie van de ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, en van de in die ondernemingen werkzame personen;
f. het verstrekken van de voor de vervulling van de taak van het bedrijfschap nodige gegevens;
g. de voor de vervulling van de taak van het bedrijfschap nodige inzage van boeken en bescheiden.
2. De overlating van de regeling of nadere regeling van de in het eerste lid, onder cen d, genoemde onderwerpen of van onderdelen daarvan neemt eerst een aanvang op een door de Sociaal-Economische Raad te bepalen en in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatiebekend te maken tijdstip, doch uiterlijk vier jaren na het in werking treden van het onderhavige besluit. Alvorens te besluiten hoort de Raad het bestuur van het bedrijfschap.
3. Verordeningen betreffende de in het eerste lid, onder e, fen g, genoemde onderwerpen behoeven, instede van de in artikel 94 der wet voorziene goedkeuring, die van de Sociaal-Economische Raad, tenzij reeds op grond van enige andere bepaling der wet de goedkeuring van Onze betrokken Ministers is vereist. In dit laatste geval beslissen dezen omtrent de goedkeuring niet dan na de Raad te hebben gehoord.
a. het aanbieden en verstrekken van geschenken in de vorm van goederen of diensten;
b. de administratie van ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;
c. de lonen en de andere arbeidsvoorwaarden;
d. de vakopleiding en de vaststelling van de getalsverhouding in ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;
e. de registratie van de ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, en van de in die ondernemingen werkzame personen;
f. het verstrekken van de voor de vervulling van de taak van het bedrijfschap nodige gegevens;
g. de voor de vervulling van de taak van het bedrijfschap nodige inzage van boeken en bescheiden.
2. De overlating van de regeling of nadere regeling van de in het eerste lid, onder cen d, genoemde onderwerpen of van onderdelen daarvan neemt eerst een aanvang op een door de Sociaal-Economische Raad te bepalen en in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatiebekend te maken tijdstip, doch uiterlijk vier jaren na het in werking treden van het onderhavige besluit. Alvorens te besluiten hoort de Raad het bestuur van het bedrijfschap.
3. Verordeningen betreffende de in het eerste lid, onder e, fen g, genoemde onderwerpen behoeven, instede van de in artikel 94 der wet voorziene goedkeuring, die van de Sociaal-Economische Raad, tenzij reeds op grond van enige andere bepaling der wet de goedkeuring van Onze betrokken Ministers is vereist. In dit laatste geval beslissen dezen omtrent de goedkeuring niet dan na de Raad te hebben gehoord.