BWBR0002143
Geldig vanaf 2001-07-06
Artikel 23
Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds
1. In zaken betreffende de rechtsvorderingen ter zake van deelneming in en uitkering uit het fonds kunnen partijen in persoon procederen.
2. Indien na aanmaning bij aangetekende brief een ter zake van het deelnemerschap vastgestelde schuld binnen dertig dagen niet wordt voldaan, kan het fonds daarna die schuld invorderen bij dwangbevel, medebrengende het recht om de goederen van de schuldenaar zonder vonnis aan te tasten.
3. De in het vorige lid bedoelde aanmaning vermeldt de tekst van het tweede en vijfde tot en met achtste lid van dit artikel en van het derde lid van artikel 6.
4. Het dwangbevel houdt in:
a. de naam en de zetel van het fonds;
b. de naam, de woonplaats en het adres van de schuldenaar;
c. het verschuldigde bedrag;
d. de gronden waarop de vordering berust;
e. de datum waarop de in het tweede lid bedoelde aanmaning is geschied;
f. de tekst van het zesde en zevende lid van dit artikel.
5. De betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschieden op de wijze, voorgeschreven ten aanzien van vonnissen en authentieke akten in het <a href="/wet/BWBR0001827" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</a>.
6. Het dwangbevel kan niet ten uitvoer worden gelegd voordat acht dagen na de betekening daarvan verstreken zijn. Degene aan wie het dwangbevel is gericht, kan gedurende dertig dagen na de betekening door middel van dagvaarding in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen hij zijn woon- of verblijfplaats heeft. Het verzet wordt behandeld en beslist door de kantonrechter.
7. Het verzet stuit de tenuitvoerlegging van het dwangbevel; een aangevangen tenuitvoerlegging wordt geschorst.
8. Het recht tot invordering bij dwangbevel strekt zich uit tot de kosten van vervolging.
2. Indien na aanmaning bij aangetekende brief een ter zake van het deelnemerschap vastgestelde schuld binnen dertig dagen niet wordt voldaan, kan het fonds daarna die schuld invorderen bij dwangbevel, medebrengende het recht om de goederen van de schuldenaar zonder vonnis aan te tasten.
3. De in het vorige lid bedoelde aanmaning vermeldt de tekst van het tweede en vijfde tot en met achtste lid van dit artikel en van het derde lid van artikel 6.
4. Het dwangbevel houdt in:
a. de naam en de zetel van het fonds;
b. de naam, de woonplaats en het adres van de schuldenaar;
c. het verschuldigde bedrag;
d. de gronden waarop de vordering berust;
e. de datum waarop de in het tweede lid bedoelde aanmaning is geschied;
f. de tekst van het zesde en zevende lid van dit artikel.
5. De betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschieden op de wijze, voorgeschreven ten aanzien van vonnissen en authentieke akten in het <a href="/wet/BWBR0001827" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</a>.
6. Het dwangbevel kan niet ten uitvoer worden gelegd voordat acht dagen na de betekening daarvan verstreken zijn. Degene aan wie het dwangbevel is gericht, kan gedurende dertig dagen na de betekening door middel van dagvaarding in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen hij zijn woon- of verblijfplaats heeft. Het verzet wordt behandeld en beslist door de kantonrechter.
7. Het verzet stuit de tenuitvoerlegging van het dwangbevel; een aangevangen tenuitvoerlegging wordt geschorst.
8. Het recht tot invordering bij dwangbevel strekt zich uit tot de kosten van vervolging.