BWBR0002141
Geldig vanaf 1954-08-25
Artikel 3
Aanpassingstoeslagwet voor gepensionneerden
1. De aanpassingstoeslag bedraagt, behoudens het bepaalde in het derde lid:
a. voor pensioenen ten laste van het Rijk, welke zijn of worden toegekend aan militairen of gewezen militairen uit hoofde van een ontslag, dat is ingegaan in:
b. voor pensioenen ten laste van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds of het Spoorwegpensioenfonds, welke zijn of worden toegekend uit hoofde van een ontslag, dat is ingegaan in:
c. voor pensioenen te laste van het Rijk of van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, welke zijn of worden toegekend aan nabestaanden van militairen of gewezen militairen uit hoofde van een overlijden in, dan wel van een overlijden na een ontslag, dat is ingegaan in:
d. voor pensioenen ten laste van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, welke zijn of worden toegekend aan nabestaanden van ambtenaren of gewezen ambtenaren, of ten laste van het Spoorwegpensioenfonds, welke zijn of worden toegekend aan nabestaanden van spoorwegambtenaren of gewezen spoorwegambtenaren uit hoofde van een overlijden in, dan wel van een overlijden na een ontslag, dat is ingegaan in:
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder pensioen verstaan het nominale bedrag, zoals dit laatstelijk is of wordt vastgesteld met inachtneming van de op 1 Januari 1954 bestaande toestand en geldende bepalingen met inbegrip van wettelijke verhogingen, doch zonder de toeslag ingevolge de wet van 5 November 1948, Stb. I 498, de bijzondere toeslag ingevolge de wet van 9 November 1950, Stb. K 502, en de toeslag ingevolge de Toeslagwet 1954 voor gepensionneerden.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden pensioenen, welke zijn berekend dan wel zijn herzien naar een pensioensgrondslag met toepassing van artikel 5 van de Wet buitengewoon militair pensioen 1914-1918, Stb. 1948, I 496, of artikel IX van de wet van 4 Augustus 1947, Stb. H 292, geacht te zijn toegekend ter zake van een met ingang van 1 Januari 1947 verleend ontslag of een overlijden op 31 December 1946.
4. Op de pensioenen, welke zijn of worden toegekend krachtens het bepaalde in de artikelen 37, eerste lid onder 4°, 5°, 6° van de Pensioenwetten voor de zee- en landmacht 1922 en de artikelen 30, eerste lid onder 4°, 5° en 6° van de Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve-personeel der landmacht 1923, wordt de aanpassingstoeslag slechts verleend, indien de bijdrage tot het levensonderhoud meer bedroeg dan het pensioen, met dien verstande, dat het totaal van pensioen, toeslag ingevolge de wet van 5 November 1948, Stb. I 498, bijzondere toeslag ingevolge de wet van 9 November 1950, Stb. K 502, toeslag ingevolge de Toeslagwet 1954 voor gepensionneerden en aanpassingstoeslag die bijdrage niet overschrijdt.
a. voor pensioenen ten laste van het Rijk, welke zijn of worden toegekend aan militairen of gewezen militairen uit hoofde van een ontslag, dat is ingegaan in:
b. voor pensioenen ten laste van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds of het Spoorwegpensioenfonds, welke zijn of worden toegekend uit hoofde van een ontslag, dat is ingegaan in:
c. voor pensioenen te laste van het Rijk of van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, welke zijn of worden toegekend aan nabestaanden van militairen of gewezen militairen uit hoofde van een overlijden in, dan wel van een overlijden na een ontslag, dat is ingegaan in:
d. voor pensioenen ten laste van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, welke zijn of worden toegekend aan nabestaanden van ambtenaren of gewezen ambtenaren, of ten laste van het Spoorwegpensioenfonds, welke zijn of worden toegekend aan nabestaanden van spoorwegambtenaren of gewezen spoorwegambtenaren uit hoofde van een overlijden in, dan wel van een overlijden na een ontslag, dat is ingegaan in:
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder pensioen verstaan het nominale bedrag, zoals dit laatstelijk is of wordt vastgesteld met inachtneming van de op 1 Januari 1954 bestaande toestand en geldende bepalingen met inbegrip van wettelijke verhogingen, doch zonder de toeslag ingevolge de wet van 5 November 1948, Stb. I 498, de bijzondere toeslag ingevolge de wet van 9 November 1950, Stb. K 502, en de toeslag ingevolge de Toeslagwet 1954 voor gepensionneerden.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden pensioenen, welke zijn berekend dan wel zijn herzien naar een pensioensgrondslag met toepassing van artikel 5 van de Wet buitengewoon militair pensioen 1914-1918, Stb. 1948, I 496, of artikel IX van de wet van 4 Augustus 1947, Stb. H 292, geacht te zijn toegekend ter zake van een met ingang van 1 Januari 1947 verleend ontslag of een overlijden op 31 December 1946.
4. Op de pensioenen, welke zijn of worden toegekend krachtens het bepaalde in de artikelen 37, eerste lid onder 4°, 5°, 6° van de Pensioenwetten voor de zee- en landmacht 1922 en de artikelen 30, eerste lid onder 4°, 5° en 6° van de Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve-personeel der landmacht 1923, wordt de aanpassingstoeslag slechts verleend, indien de bijdrage tot het levensonderhoud meer bedroeg dan het pensioen, met dien verstande, dat het totaal van pensioen, toeslag ingevolge de wet van 5 November 1948, Stb. I 498, bijzondere toeslag ingevolge de wet van 9 November 1950, Stb. K 502, toeslag ingevolge de Toeslagwet 1954 voor gepensionneerden en aanpassingstoeslag die bijdrage niet overschrijdt.