BWBR0002130
Geldig vanaf 1955-07-01
Artikel 16
Vestigingswet Bedrijven 1954
1. Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister, wie het mede aangaat, kunnen op verzoek van het lichaam, dat vaststelling van een vestigingsbesluit heeft verzocht, bij gemeenschappelijke regeling, in deze wet verder genoemd vestigingsregeling,verbieden het uitoefenen van het betrokken bedrijf zonder vergunning van de Sociaal-Economische Raad. In plaats van de Raad kan een produkt- of een hoofdbedrijfschap worden aangewezen.
2. Het in een vestigingsregeling vervatte verbod geldt niet ten aanzien van de uitoefening van het aangewezen bedrijf in de ondernemingen en inrichtingen, waarin dat bedrijf bij het in werking treden van die regeling wordt uitgeoefend, echter voor wat die inrichtingen betreft slechts zolang zij blijven behoren tot de onderneming, waartoe zij bij het in werking treden van de regeling behoorden.
3. De artikelen 4aen 4bzijn van overeenkomstige toepassing.
2. Het in een vestigingsregeling vervatte verbod geldt niet ten aanzien van de uitoefening van het aangewezen bedrijf in de ondernemingen en inrichtingen, waarin dat bedrijf bij het in werking treden van die regeling wordt uitgeoefend, echter voor wat die inrichtingen betreft slechts zolang zij blijven behoren tot de onderneming, waartoe zij bij het in werking treden van de regeling behoorden.
3. De artikelen 4aen 4bzijn van overeenkomstige toepassing.