BWBR0002044
Geldig vanaf 1948-12-31
Artikel 5
Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht 1948, Stb. I 543
1. De uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, b, c, of d, bedraagt:
1°. voor een weduwe, bedoeld onder a of b van het eerste lid van dat artikel, vierhonderd procent van het pensioen, dat zij zou hebben ontvangen, indien zij aan een der Weduwenwetten voor de land- en zeemacht 1909 aanspraak op pensioen had kunnen ontlenen;
2°. voor een weduwe, bedoeld onder c of d van het eerste lid van dat artikel, driehonderd vijftig procent van het pensioen, dat zij zou hebben ontvangen, indien zij aan de Weduwenwet voor de Rijkswerklieden 1914 aanspraak op pensioen had kunnen ontlenen;
een en ander zonder de verhoging, bedoeld in de wet van 29 Mei 1920 ( Staatsbladno. 283).
2. De uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder e, bedraagt vijf zevende gedeelten van de uitkering, welke aan de overledene krachtens dit besluit is of had kunnen worden toegekend.
3. De uitkering bedoeld in de vorige leden gaat, zonder toepassing van artikel 6c, niet te boven een bedrag van een duizend vierhonderdgulden per jaar, indien het betreft een weduwe van een officier of een gewezen officier, en een bedrag van duizendgulden per jaar, indien het betreft een andere weduwe.
1°. voor een weduwe, bedoeld onder a of b van het eerste lid van dat artikel, vierhonderd procent van het pensioen, dat zij zou hebben ontvangen, indien zij aan een der Weduwenwetten voor de land- en zeemacht 1909 aanspraak op pensioen had kunnen ontlenen;
2°. voor een weduwe, bedoeld onder c of d van het eerste lid van dat artikel, driehonderd vijftig procent van het pensioen, dat zij zou hebben ontvangen, indien zij aan de Weduwenwet voor de Rijkswerklieden 1914 aanspraak op pensioen had kunnen ontlenen;
een en ander zonder de verhoging, bedoeld in de wet van 29 Mei 1920 ( Staatsbladno. 283).
2. De uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder e, bedraagt vijf zevende gedeelten van de uitkering, welke aan de overledene krachtens dit besluit is of had kunnen worden toegekend.
3. De uitkering bedoeld in de vorige leden gaat, zonder toepassing van artikel 6c, niet te boven een bedrag van een duizend vierhonderdgulden per jaar, indien het betreft een weduwe van een officier of een gewezen officier, en een bedrag van duizendgulden per jaar, indien het betreft een andere weduwe.