Artikel 1
Een vrijwillig dienend militair van land- of zeemacht, die met ingang van een datum vóór 1 Juli 1925 uit de militaire dienst is ontslagen en op de datum van zijn ontslag een werkelijke dienst in de zin der Pensioenwetten voor de land- en zeemacht 1922 kon doen gelden van ten minste:
a. tien jaren, voor zover hij vóór 1 Januari 1954 de leeftijd van zestig jaren had bereikt,
b. zeven jaren, voor zover hij op of na 1 Januari 1954 de onder a genoemde leeftijd heeft bereikt,
c. vijf jaren,
heeft, behoudens het bepaalde in artikel 7, recht op een uitkering, mits:
1°. hij niet is ontslagen onder omstandigheden, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 4 dezer wetten;
2°. hij niet is of wordt herplaatst in een betrekking, welke uitzicht geeft op pensioen krachtens een der genoemde wetten, de Pensioenwet 1922 (Stb. 240), de Pensioenwet voor de Spoorwegambtenaren 1925 (Stb. 194), de Algemene burgerlijke pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet.
a. tien jaren, voor zover hij vóór 1 Januari 1954 de leeftijd van zestig jaren had bereikt,
b. zeven jaren, voor zover hij op of na 1 Januari 1954 de onder a genoemde leeftijd heeft bereikt,
c. vijf jaren,
heeft, behoudens het bepaalde in artikel 7, recht op een uitkering, mits:
1°. hij niet is ontslagen onder omstandigheden, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 4 dezer wetten;
2°. hij niet is of wordt herplaatst in een betrekking, welke uitzicht geeft op pensioen krachtens een der genoemde wetten, de Pensioenwet 1922 (Stb. 240), de Pensioenwet voor de Spoorwegambtenaren 1925 (Stb. 194), de Algemene burgerlijke pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet.