BWBR0002008
Geldig vanaf 1944-09-04
Artikel 12
Besluit Buitengewone Rechtspleging
1. De officier van justitie heeft gelijke bevoegdheden en verplichtingen als bij de bepalingen van den Vierden Titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvorderingaan den hulpofficier van justitie zijn toegekend en opgelegd.
2. In de gevallen, waarin bij die bepalingen aan den hulpofficier een bevoegdheid is toegekend, omdat het optreden van den procureur-fiscaal niet kan worden afgewacht, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door den officier van justitie en door een hulpofficier alleen dan, als ook het optreden van den officier van justitie niet kan worden afgewacht.
3. Waar bij de voormelde bepalingen eenige kennisgeving aan den procureur-fiscaal bij het Bijzondere Gerechtshof is voorgeschreven, wordt deze kennisgeving, indien zij door een anderen opsporingsambtenaar dan den officier van justitie moet geschieden, door diens tusschenkomst gedaan, tenzij de procureur-fiscaal daaromtrent afwijkende instructies mocht geven.
2. In de gevallen, waarin bij die bepalingen aan den hulpofficier een bevoegdheid is toegekend, omdat het optreden van den procureur-fiscaal niet kan worden afgewacht, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door den officier van justitie en door een hulpofficier alleen dan, als ook het optreden van den officier van justitie niet kan worden afgewacht.
3. Waar bij de voormelde bepalingen eenige kennisgeving aan den procureur-fiscaal bij het Bijzondere Gerechtshof is voorgeschreven, wordt deze kennisgeving, indien zij door een anderen opsporingsambtenaar dan den officier van justitie moet geschieden, door diens tusschenkomst gedaan, tenzij de procureur-fiscaal daaromtrent afwijkende instructies mocht geven.