BWBR0001912
Geldig vanaf 01-01-2005
Artikel 12
Besluit ex artikel 6 Veewet
1. De veewagens worden na besproeiing van wanden en vloer met een ontsmettingsmiddel ontledigd van strooisel, mest, voeder, enz. en door afkrabben en uitvegen van het grove vuil ontdaan.
2. Daarna worden de wanden en vloer met water afgeschrobd en vervolgens begoten of bespoten, totdat zij geheel rein zijn. Voor zooveel noodig, moet het afschrobben geschieden met heet zeepsop of met heete potasch- of sodaloog-oplossing. Wandbekleedingen van leder of linnen worden met warm zeepsop of, zoo noodig, met warme potasch- of sodaloog-oplossing afgewasschen.
3. De goed gereinigde wanden en vloer worden ontsmet door witten met kalkmelk of chloorkalkmelk, of door bestrijken met creoline of lysol, of door stoom van ten minste 2 atmosfeeren (120° C) op alle te ontsmetten plaatsen van nabij in een straal te doen inwerken.
4. Op overeenkomstige wijze worden gereinigd en ontsmet loopplanken, voederbakken, emmers, touwen en andere voorwerpen, waarmede het vervoerde vee in aanraking geweest is.
5. Op de terreinen van in- en uitlading worden mest, gebruikt strooisel, enz. zorgvuldig bijeengeveegd, de aarden bodem met water afgespoeld en de bestratingen en houtbekleedingen met water afgeschrobd. Na reiniging wordt de bodem met creoline begoten.
6. De uit de spoorvoertuigen en van de voorwerpen verwijderde en de op de terreinen bijeengeveegde stoffen worden naar eene daarvoor bestemde bergplaats vervoerd en aldaar met gebrande kalk bestrooid.
2. Daarna worden de wanden en vloer met water afgeschrobd en vervolgens begoten of bespoten, totdat zij geheel rein zijn. Voor zooveel noodig, moet het afschrobben geschieden met heet zeepsop of met heete potasch- of sodaloog-oplossing. Wandbekleedingen van leder of linnen worden met warm zeepsop of, zoo noodig, met warme potasch- of sodaloog-oplossing afgewasschen.
3. De goed gereinigde wanden en vloer worden ontsmet door witten met kalkmelk of chloorkalkmelk, of door bestrijken met creoline of lysol, of door stoom van ten minste 2 atmosfeeren (120° C) op alle te ontsmetten plaatsen van nabij in een straal te doen inwerken.
4. Op overeenkomstige wijze worden gereinigd en ontsmet loopplanken, voederbakken, emmers, touwen en andere voorwerpen, waarmede het vervoerde vee in aanraking geweest is.
5. Op de terreinen van in- en uitlading worden mest, gebruikt strooisel, enz. zorgvuldig bijeengeveegd, de aarden bodem met water afgespoeld en de bestratingen en houtbekleedingen met water afgeschrobd. Na reiniging wordt de bodem met creoline begoten.
6. De uit de spoorvoertuigen en van de voorwerpen verwijderde en de op de terreinen bijeengeveegde stoffen worden naar eene daarvoor bestemde bergplaats vervoerd en aldaar met gebrande kalk bestrooid.
- Citeren als
- Art. 12
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001912
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl