BWBR0001912
Geldig vanaf 11-06-1922
Artikel 11
Besluit ex artikel 6 Veewet
Het ontsmetten moet gebaseerd zijn op het weerstandsvermogen en op de mogelijkheid tot verspreiding van de smetstof, waarbij elk geval op zich zelf dient te worden beoordeeld en geschiedt op de volgende wijze:
a. bij besmettelijke veeziekten, waarvan de smetstof weinig weerstandbiedend is en die in hoofdzaak door de zieke dieren wordt overgebracht, is het voldoende den zolder van den stal, de wanden, deurposten, schotten, deuren, vloer, groep, voer- en drinkbakken en gereedschappen, na voorafgaande reiniging te bestrijken met creoline of kalkmelk. Houten, steenen en ijzeren staldeelen kunnen met creoline of een ander ontsmettingsmiddel worden afgewasschen.
b. bij besmettelijke veeziekten, waarvan de smetstof meer weerstandsvermogen heeft, gevaar voor den mensch oplevert of de kans op verspreiding groot is, worden de volgende maatregelen getroffen: 1. stroo, mest, voedselresten en ander vuil worden verbrand, begraven, ondergeploegd of door broeien of vermengen met een ontsmettingsmiddel onschadelijk gemaakt. Het onschadelijk maken van mestvaalten geschiedt bij voorkeur door broeien, door de mest naar bouwland te vervoeren en onmiddellijk onder te ploegen, of door ze te overgieten met een daarvoor geschikt ontsmettingsmiddel of ze te bestrooien met gebrande kalk of chloorkalk. Het broeien van mest geschiedt als volgt: de bodem wordt bedekt met een laag stroo of turfstrooisel, ter dikte van ongeveer 25 centimeter, ter breedte van 1½ à 2 Meter en lang naar behoefte. De voor ontsmetting bestemde mest wordt hierop opgehoopt tot een hoogte van ongeveer 1,25 Meter met schuin afloopende zijvlakten, vervolgens bedekt met een laag stroo of turfstrooisel ter dikte van 10 centimeter, waarna op het geheel een laag aarde ter dikte van 10 centimeter wordt aangebracht. Het geheel moet ten minste 3 weken in dezen toestand worden gelaten.
2. gier en afvalwater worden door toevoeging van gebrande kalk of chloorkalk ontsmet. Hiertoe moeten ten minste 1 deel gebrande kalk of chloorkalk op 100 deelen gier en afvalwater door grondig omroeren vermengd worden en hierna ten minste 2 uur in dezen toestand worden gelaten.
3. van voedsel en stroovoorraden worden de besmette gedeelten verbrand of begraven.
4. zolder en wanden, kribben, troggen, ruiven, deurposten, pilaren, schotten, deuren, vensters, enz., vloer, afvoergoten, groepen, bakken enz. worden met kalkmelk, chloorkalkmelk of een ander ontsmettingsmiddel behandeld. IJzeren deelen of voorwerpen worden sterk afgezengd of geflambeerd, dan wel met creoline of een ander ontsmettingsmiddel behandeld.
5. erven, veeladingen, slachtplaatsen, veemarkten, wegen, straten, melkplaatsen, scheepsruimten, veren worden met creoline of met een ander ontsmettingsmiddel begoten of op een andere daarvoor geschikte manier behandeld. (Bij vriezend weder strooit men gebrande kalk).
6. van aarden of zandbodems wordt de afgegraven grond evenals de niet verwijderde mestlagen in schapenstallen of potstallen, met gebrande kalk gelijkmatig bedekt.
7. houten gereedschap, alsmede wagendeelen of sleepen, waarop cadavers of gedeelten daarvan, stroo, mest, maag- of darminhoud van geslachte, gestorven of gedoode dieren zijn vervoerd, moeten, voor zooverre zij niet worden verbrand, afgeschroeid of met creoline of een ander ontsmettingsmiddel ontsmet worden.
8. voorwerpen van ijzer of ander metaal worden uitgegloeid, sterk afgezengd of geflambeerd of ontsmet met creoline of een ander ontsmettingsmiddel.
9. lederen en gummivoorwerpen worden ontsmet door zorgvuldig afwrijven met doeken, die gedrenkt zijn met creoline of een ander ontsmettingsmiddel.
10. voorwerpen, vervaardigd van linnen, hennep, katoen of wol, kleedingstukken, beddegoed, haar, wol, veeren, voederzakken, opvulsels van kussens en tuigdeelen, enz., moeten, voor zooverre zij niet verbrand worden, door stoom, door uitkoken of door ze 24 uur te leggen in creoline of in een ander ontsmettingsmiddel worden ontsmet. Kleedingstukken, die slechts in geringe mate besmet zijn, kunnen door bevochtigen en nat afborstelen met een ontsmettingsmiddel ontsmet worden.
11. dieren worden, in het bijzonder op die plaatsen der huid, hoeven of klauwen, die door mest of andere afscheidingsproducten verontreinigd zijn, met het daarvoor aangewezen ontsmettingsmiddel goed afgewasschen.
11. huiden worden gedurende 12 uren ondergedompeld in creoline.
12. handen en andere lichaamsdeelen van personen worden met creoline of een ander ontsmettingsmiddel zorgvuldig afgeborsteld en na 5 minuten met warm water en zeep afgewasschen. Kleederen van te ontsmetten personen, die niet kunnen worden achtergelaten, worden ontsmet door bevochtigen en nat afborstelen met een ontsmettingsmiddel.
1. stroo, mest, voedselresten en ander vuil worden verbrand, begraven, ondergeploegd of door broeien of vermengen met een ontsmettingsmiddel onschadelijk gemaakt. Het onschadelijk maken van mestvaalten geschiedt bij voorkeur door broeien, door de mest naar bouwland te vervoeren en onmiddellijk onder te ploegen, of door ze te overgieten met een daarvoor geschikt ontsmettingsmiddel of ze te bestrooien met gebrande kalk of chloorkalk. Het broeien van mest geschiedt als volgt: de bodem wordt bedekt met een laag stroo of turfstrooisel, ter dikte van ongeveer 25 centimeter, ter breedte van 1½ à 2 Meter en lang naar behoefte. De voor ontsmetting bestemde mest wordt hierop opgehoopt tot een hoogte van ongeveer 1,25 Meter met schuin afloopende zijvlakten, vervolgens bedekt met een laag stroo of turfstrooisel ter dikte van 10 centimeter, waarna op het geheel een laag aarde ter dikte van 10 centimeter wordt aangebracht. Het geheel moet ten minste 3 weken in dezen toestand worden gelaten.
2. gier en afvalwater worden door toevoeging van gebrande kalk of chloorkalk ontsmet. Hiertoe moeten ten minste 1 deel gebrande kalk of chloorkalk op 100 deelen gier en afvalwater door grondig omroeren vermengd worden en hierna ten minste 2 uur in dezen toestand worden gelaten.
3. van voedsel en stroovoorraden worden de besmette gedeelten verbrand of begraven.
4. zolder en wanden, kribben, troggen, ruiven, deurposten, pilaren, schotten, deuren, vensters, enz., vloer, afvoergoten, groepen, bakken enz. worden met kalkmelk, chloorkalkmelk of een ander ontsmettingsmiddel behandeld. IJzeren deelen of voorwerpen worden sterk afgezengd of geflambeerd, dan wel met creoline of een ander ontsmettingsmiddel behandeld.
5. erven, veeladingen, slachtplaatsen, veemarkten, wegen, straten, melkplaatsen, scheepsruimten, veren worden met creoline of met een ander ontsmettingsmiddel begoten of op een andere daarvoor geschikte manier behandeld. (Bij vriezend weder strooit men gebrande kalk).
6. van aarden of zandbodems wordt de afgegraven grond evenals de niet verwijderde mestlagen in schapenstallen of potstallen, met gebrande kalk gelijkmatig bedekt.
7. houten gereedschap, alsmede wagendeelen of sleepen, waarop cadavers of gedeelten daarvan, stroo, mest, maag- of darminhoud van geslachte, gestorven of gedoode dieren zijn vervoerd, moeten, voor zooverre zij niet worden verbrand, afgeschroeid of met creoline of een ander ontsmettingsmiddel ontsmet worden.
8. voorwerpen van ijzer of ander metaal worden uitgegloeid, sterk afgezengd of geflambeerd of ontsmet met creoline of een ander ontsmettingsmiddel.
9. lederen en gummivoorwerpen worden ontsmet door zorgvuldig afwrijven met doeken, die gedrenkt zijn met creoline of een ander ontsmettingsmiddel.
10. voorwerpen, vervaardigd van linnen, hennep, katoen of wol, kleedingstukken, beddegoed, haar, wol, veeren, voederzakken, opvulsels van kussens en tuigdeelen, enz., moeten, voor zooverre zij niet verbrand worden, door stoom, door uitkoken of door ze 24 uur te leggen in creoline of in een ander ontsmettingsmiddel worden ontsmet. Kleedingstukken, die slechts in geringe mate besmet zijn, kunnen door bevochtigen en nat afborstelen met een ontsmettingsmiddel ontsmet worden.
11. dieren worden, in het bijzonder op die plaatsen der huid, hoeven of klauwen, die door mest of andere afscheidingsproducten verontreinigd zijn, met het daarvoor aangewezen ontsmettingsmiddel goed afgewasschen.
11. huiden worden gedurende 12 uren ondergedompeld in creoline.
12. handen en andere lichaamsdeelen van personen worden met creoline of een ander ontsmettingsmiddel zorgvuldig afgeborsteld en na 5 minuten met warm water en zeep afgewasschen. Kleederen van te ontsmetten personen, die niet kunnen worden achtergelaten, worden ontsmet door bevochtigen en nat afborstelen met een ontsmettingsmiddel.
a. bij besmettelijke veeziekten, waarvan de smetstof weinig weerstandbiedend is en die in hoofdzaak door de zieke dieren wordt overgebracht, is het voldoende den zolder van den stal, de wanden, deurposten, schotten, deuren, vloer, groep, voer- en drinkbakken en gereedschappen, na voorafgaande reiniging te bestrijken met creoline of kalkmelk. Houten, steenen en ijzeren staldeelen kunnen met creoline of een ander ontsmettingsmiddel worden afgewasschen.
b. bij besmettelijke veeziekten, waarvan de smetstof meer weerstandsvermogen heeft, gevaar voor den mensch oplevert of de kans op verspreiding groot is, worden de volgende maatregelen getroffen: 1. stroo, mest, voedselresten en ander vuil worden verbrand, begraven, ondergeploegd of door broeien of vermengen met een ontsmettingsmiddel onschadelijk gemaakt. Het onschadelijk maken van mestvaalten geschiedt bij voorkeur door broeien, door de mest naar bouwland te vervoeren en onmiddellijk onder te ploegen, of door ze te overgieten met een daarvoor geschikt ontsmettingsmiddel of ze te bestrooien met gebrande kalk of chloorkalk. Het broeien van mest geschiedt als volgt: de bodem wordt bedekt met een laag stroo of turfstrooisel, ter dikte van ongeveer 25 centimeter, ter breedte van 1½ à 2 Meter en lang naar behoefte. De voor ontsmetting bestemde mest wordt hierop opgehoopt tot een hoogte van ongeveer 1,25 Meter met schuin afloopende zijvlakten, vervolgens bedekt met een laag stroo of turfstrooisel ter dikte van 10 centimeter, waarna op het geheel een laag aarde ter dikte van 10 centimeter wordt aangebracht. Het geheel moet ten minste 3 weken in dezen toestand worden gelaten.
2. gier en afvalwater worden door toevoeging van gebrande kalk of chloorkalk ontsmet. Hiertoe moeten ten minste 1 deel gebrande kalk of chloorkalk op 100 deelen gier en afvalwater door grondig omroeren vermengd worden en hierna ten minste 2 uur in dezen toestand worden gelaten.
3. van voedsel en stroovoorraden worden de besmette gedeelten verbrand of begraven.
4. zolder en wanden, kribben, troggen, ruiven, deurposten, pilaren, schotten, deuren, vensters, enz., vloer, afvoergoten, groepen, bakken enz. worden met kalkmelk, chloorkalkmelk of een ander ontsmettingsmiddel behandeld. IJzeren deelen of voorwerpen worden sterk afgezengd of geflambeerd, dan wel met creoline of een ander ontsmettingsmiddel behandeld.
5. erven, veeladingen, slachtplaatsen, veemarkten, wegen, straten, melkplaatsen, scheepsruimten, veren worden met creoline of met een ander ontsmettingsmiddel begoten of op een andere daarvoor geschikte manier behandeld. (Bij vriezend weder strooit men gebrande kalk).
6. van aarden of zandbodems wordt de afgegraven grond evenals de niet verwijderde mestlagen in schapenstallen of potstallen, met gebrande kalk gelijkmatig bedekt.
7. houten gereedschap, alsmede wagendeelen of sleepen, waarop cadavers of gedeelten daarvan, stroo, mest, maag- of darminhoud van geslachte, gestorven of gedoode dieren zijn vervoerd, moeten, voor zooverre zij niet worden verbrand, afgeschroeid of met creoline of een ander ontsmettingsmiddel ontsmet worden.
8. voorwerpen van ijzer of ander metaal worden uitgegloeid, sterk afgezengd of geflambeerd of ontsmet met creoline of een ander ontsmettingsmiddel.
9. lederen en gummivoorwerpen worden ontsmet door zorgvuldig afwrijven met doeken, die gedrenkt zijn met creoline of een ander ontsmettingsmiddel.
10. voorwerpen, vervaardigd van linnen, hennep, katoen of wol, kleedingstukken, beddegoed, haar, wol, veeren, voederzakken, opvulsels van kussens en tuigdeelen, enz., moeten, voor zooverre zij niet verbrand worden, door stoom, door uitkoken of door ze 24 uur te leggen in creoline of in een ander ontsmettingsmiddel worden ontsmet. Kleedingstukken, die slechts in geringe mate besmet zijn, kunnen door bevochtigen en nat afborstelen met een ontsmettingsmiddel ontsmet worden.
11. dieren worden, in het bijzonder op die plaatsen der huid, hoeven of klauwen, die door mest of andere afscheidingsproducten verontreinigd zijn, met het daarvoor aangewezen ontsmettingsmiddel goed afgewasschen.
11. huiden worden gedurende 12 uren ondergedompeld in creoline.
12. handen en andere lichaamsdeelen van personen worden met creoline of een ander ontsmettingsmiddel zorgvuldig afgeborsteld en na 5 minuten met warm water en zeep afgewasschen. Kleederen van te ontsmetten personen, die niet kunnen worden achtergelaten, worden ontsmet door bevochtigen en nat afborstelen met een ontsmettingsmiddel.
1. stroo, mest, voedselresten en ander vuil worden verbrand, begraven, ondergeploegd of door broeien of vermengen met een ontsmettingsmiddel onschadelijk gemaakt. Het onschadelijk maken van mestvaalten geschiedt bij voorkeur door broeien, door de mest naar bouwland te vervoeren en onmiddellijk onder te ploegen, of door ze te overgieten met een daarvoor geschikt ontsmettingsmiddel of ze te bestrooien met gebrande kalk of chloorkalk. Het broeien van mest geschiedt als volgt: de bodem wordt bedekt met een laag stroo of turfstrooisel, ter dikte van ongeveer 25 centimeter, ter breedte van 1½ à 2 Meter en lang naar behoefte. De voor ontsmetting bestemde mest wordt hierop opgehoopt tot een hoogte van ongeveer 1,25 Meter met schuin afloopende zijvlakten, vervolgens bedekt met een laag stroo of turfstrooisel ter dikte van 10 centimeter, waarna op het geheel een laag aarde ter dikte van 10 centimeter wordt aangebracht. Het geheel moet ten minste 3 weken in dezen toestand worden gelaten.
2. gier en afvalwater worden door toevoeging van gebrande kalk of chloorkalk ontsmet. Hiertoe moeten ten minste 1 deel gebrande kalk of chloorkalk op 100 deelen gier en afvalwater door grondig omroeren vermengd worden en hierna ten minste 2 uur in dezen toestand worden gelaten.
3. van voedsel en stroovoorraden worden de besmette gedeelten verbrand of begraven.
4. zolder en wanden, kribben, troggen, ruiven, deurposten, pilaren, schotten, deuren, vensters, enz., vloer, afvoergoten, groepen, bakken enz. worden met kalkmelk, chloorkalkmelk of een ander ontsmettingsmiddel behandeld. IJzeren deelen of voorwerpen worden sterk afgezengd of geflambeerd, dan wel met creoline of een ander ontsmettingsmiddel behandeld.
5. erven, veeladingen, slachtplaatsen, veemarkten, wegen, straten, melkplaatsen, scheepsruimten, veren worden met creoline of met een ander ontsmettingsmiddel begoten of op een andere daarvoor geschikte manier behandeld. (Bij vriezend weder strooit men gebrande kalk).
6. van aarden of zandbodems wordt de afgegraven grond evenals de niet verwijderde mestlagen in schapenstallen of potstallen, met gebrande kalk gelijkmatig bedekt.
7. houten gereedschap, alsmede wagendeelen of sleepen, waarop cadavers of gedeelten daarvan, stroo, mest, maag- of darminhoud van geslachte, gestorven of gedoode dieren zijn vervoerd, moeten, voor zooverre zij niet worden verbrand, afgeschroeid of met creoline of een ander ontsmettingsmiddel ontsmet worden.
8. voorwerpen van ijzer of ander metaal worden uitgegloeid, sterk afgezengd of geflambeerd of ontsmet met creoline of een ander ontsmettingsmiddel.
9. lederen en gummivoorwerpen worden ontsmet door zorgvuldig afwrijven met doeken, die gedrenkt zijn met creoline of een ander ontsmettingsmiddel.
10. voorwerpen, vervaardigd van linnen, hennep, katoen of wol, kleedingstukken, beddegoed, haar, wol, veeren, voederzakken, opvulsels van kussens en tuigdeelen, enz., moeten, voor zooverre zij niet verbrand worden, door stoom, door uitkoken of door ze 24 uur te leggen in creoline of in een ander ontsmettingsmiddel worden ontsmet. Kleedingstukken, die slechts in geringe mate besmet zijn, kunnen door bevochtigen en nat afborstelen met een ontsmettingsmiddel ontsmet worden.
11. dieren worden, in het bijzonder op die plaatsen der huid, hoeven of klauwen, die door mest of andere afscheidingsproducten verontreinigd zijn, met het daarvoor aangewezen ontsmettingsmiddel goed afgewasschen.
11. huiden worden gedurende 12 uren ondergedompeld in creoline.
12. handen en andere lichaamsdeelen van personen worden met creoline of een ander ontsmettingsmiddel zorgvuldig afgeborsteld en na 5 minuten met warm water en zeep afgewasschen. Kleederen van te ontsmetten personen, die niet kunnen worden achtergelaten, worden ontsmet door bevochtigen en nat afborstelen met een ontsmettingsmiddel.
- Citeren als
- Art. 11
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001912
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl