Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-17
ECLI:NL:RBZWB:2024:600
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,883 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2869 GEMWT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, het college.
Inleiding
1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 6 april 2023, waarin het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard, wegens het ontbreken van een besluit.
1.2
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 6 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens het college [naam 1] . Daarnaast is ten behoeve van eiser [naam 2] als tolk verschenen.
Beoordeling
2 De rechtbank beoordeelt of het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3 Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4.1
Eiser heeft een woning op het [adres] (hierna: het adres).
4.2
Eiser heeft op 9 januari 2022 het college verzocht om te bevestigen dat het gebruik van de woning als recreatiewoning is toegestaan. Eiser heeft dit nogmaals verzocht op 13 maart 2022 en 15 mei 2022.
4.3
Het college heeft met de brief van 1 november 2022 informatie verstrekt aan eiser. Hierin heeft het college het kader voor het toeristisch verhuren van woningen op het adres beschreven.
4.4
Met de mail van 13 november 2022 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de brief van 1 november 2022.
4.5
Op 9 november 2022 heeft de Commissie Bezwaarschriften geadviseerd om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, wegens het ontbreken van een besluit.
4.6
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Omvang van het geding
5 Eiser heeft betoogd dat zij wel een aanvraag heeft ingediend voor een omgevingsvergunning, dat hij al in het bezit is van een omgevingsvergunning en dat het college discriminerend en misleidend handelt jegens eiser. Dit valt buiten de omvang van het geding. Het college heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, wegens het ontbreken van een besluit. De rechtbank beperkt zich daarmee in haar oordeel tot de vraag of eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard en of dus sprake is van een besluit.
Besluit
6.1
Eiser heeft betoogd dat de brief van 1 november 2022 is aan te merken als besluit.
6.2
Op grond van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
6.3
In de brief van 1 november 2022 heeft het college uiteengezet wat het toepasselijke kader is voor toeristische verhuur van woonruimten. In de brief geeft het college aan dat eiser heeft verklaard de woning voor 180 dagen te willen verhuren, en dat hiermee niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor incidentele recreatieve verhuur. Om recreatief te mogen verhuren moet eiser een omgevingsvergunning aanvragen en hiervoor zijn de voorwaarden opgesomd.
6.4
De rechtbank is van oordeel dat de brief niet is aan te merken als besluit. Er is namelijk geen rechtsgevolg verbonden aan de brief. Eiser mocht voor de brief van 1 november 2022, volgens het college, de woning niet recreatief verhuren en mag dit na de brief van 1 november 2022 nog niet.
Bestuurlijk rechtsoordeel
7.1
Eiser heeft betoogd dat het bestreden besluit onevenredig bezwarend is. Hij heeft aanzienlijke schade opgelopen door de handelswijze van het college. Het is onredelijk om eiser indirect op te zadelen met een remedie voor conceptuele, kwalificerende en organisatorische tekorten.
7.2
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is een bestuurlijk rechtsoordeel in de regel geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In uitzonderingsituaties moet echter een bestuurlijk rechtsoordeel als besluit worden aangemerkt. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkenen onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen.
7.3
Voor zover al sprake zou zijn van een bestuurlijk rechtsoordeel, is de rechtbank van oordeel dat het niet onevenredig bezwaren is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen. Eiser kan via twee wegen een besluit omtrent de interpretatie van de rechtsregels uitlokken. Hij kan een omgevingsvergunning voor het recreatief verhuren van de woning aanvragen of hij kan een handhavingsbesluit uitlokken. Eiser heeft daarnaast niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat hij schade heeft geleden. Het komt de rechtbank tevens niet aannemelijk voor dat eiser schade zou leiden, indien de brief niet als besluit wordt aangemerkt.
Schadevergoeding
8 Eiser heeft verzocht om schadevergoeding. Om een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die een belanghebbende lijdt of zal lijden is nodig dat sprake is van een onrechtmatig besluit. Gelet op voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onrechtmatig besluit en kan aan eiser geen schadevergoeding worden toegekend.
Conclusie
9 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 17 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4242.