Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2021-09-14
ECLI:NL:RBNHO:2021:7979
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
5,264 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/3239
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 september 2021 in de zaak tussen
Stichting ter Bescherming en Versterking van de cultuurhistorische, agrarische en natuurwaarden omgeving van de Ruïne van Brederode (SORB), te Santpoort-Zuid, verzoekster,
(gemachtigde: mr. L.W. Tellegen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Velsen, verweerder,(gemachtigde: mr. R.A.J. de Jong, werkzaam bij de gemeente Velsen).
Als derde-partijen nemen aan het geding deel:
Wibaut B.V.,
de heer [naam 1] ,
mevrouw [naam 2] ,
de heer [naam 3] ,
(gemachtigde: mr. dr. M. Klijnstra).
Procesverloop
Bij besluit van 20 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Wibaut B.V. (hierna: Wibaut) een omgevingsvergunning verleend voor de aanleg van riolering en nutsleidingen op de percelen Brederoodseweg 41, 41a en 41c te Santpoort-Zuid.
Verzoekster heeft tegen deze omgevingsvergunning bezwaar gemaakt. Zij heeft op 28 juli 2021 een verzoek om een voorlopige voorziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) ingediend. De Afdeling heeft het verzoek doorgezonden aan deze rechtbank ter verdere behandeling.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 augustus 2021 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen bij gemachtigde. Hij werd vergezeld door [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is verschenen de gemachtigde van de derde partijen, vergezeld door [naam 5] .
Beoordeling
2.1
Naast de kasteelruïne van Brederode in Santpoort-Zuid ligt het perceel Brederoodseweg 41. Op dit perceel staat de bouw gepland van drie vrijstaande woningen. Vast staat dat voor de bouw van twee van de drie woningen inmiddels een omgevingsvergunning is verleend. De beoordeling van de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning(en) en het ten behoeve van deze ontwikkeling vastgestelde bestemmingsplan Brederoodseweg 41 liggen ter beoordeling voor bij de Afdeling als gevolg van het coördinatiebesluit van 24 november 2016.
2.2
Ten behoeve van de bouw van de woningen moeten nutsleidingen en een riolering worden aangelegd. De ondergrondse infrastructuur moet deels worden aangelegd op gronden van verzoekster die daarvoor vooralsnog geen toestemming heeft verleend. Voorts staat de aanleg van een grondwal gepland die -naar de voorzieningenrechter ter zitting heeft begrepen- een geluidbuffer zal vormen tussen de te bouwen woningen en Tennispark Brederode.
3.1
Verweerder heeft voor de aanleg van de nutsleidingen en de riolering een omgevingsvergunning verleend. Ten aanzien van de grondwal heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat daarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, omdat het niet valt onder het verbod van het aanlegvergunningenstelsel.
4. De gronden van het voorliggende verzoek richten zich tegen de aanleg van de nutsleidingen en de riolering alsmede tegen verweerders standpunt dat de aanleg van de grondwal vergunningsvrij is. Voor zover het verzoek om een voorlopige voorziening ziet op schorsing van de verleende omgevingsvergunning d.d. 17 november 2020 voor de kap van 23 bomen op het perceel Brederoodseweg 41, 41a en 41c, heeft verzoekster dit bij brief van 9 augustus 2021 ingetrokken. Voor zover het verzoek om een voorlopige voorziening ziet op schorsing van de vaststelling van het bestemmingsplan, wordt dit behandeld door de Afdeling.
5. Verzoekster is eigenaar van een stuk grond waarover de nutsleidingen en de riolering moeten worden aangelegd. Zij kan daarom worden aangemerkt als belanghebbende bij deze procedure. Voor zover de gemachtigden van zowel verweerder als de derde partijen ter zitting anders hebben betoogd, worden zij daarin dan ook niet gevolgd.
De grondwal
6.1
De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit is genomen naar aanleiding van de door Wibaut ingediende aanvraag van 28 juli 2020. Het werk waarop de aanvraag betrekking heeft wordt als volgt omschreven: ‘Uitvoeren van graafwerkzaamheden en grondbewerkingen, zoals het afgraven en egaliseren van gronden en ondergrondse kabels en leidingen aanleggen’. Ter gelegenheid van de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening is namens Wibaut het standpunt ingenomen dat het nimmer haar bedoeling is geweest om de grondwal deel uit te laten maken van de aanvraag om een omgevingsvergunning. De aanvraag zag niet op de aanleg van een grondwal.
6.2
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Indien de grondwal wel deel uitmaakt van de aanvraag om een omgevingsvergunning had verweerder die aanvraag in zoverre moeten weigeren. De mededeling van verweerder dat voor de aanleg van de grondwal geen omgevingsvergunning nodig is, kan dan wel worden gelijkgesteld met een weigering waartegen voor verzoekster bezwaar open staat. Dit is evenwel anders indien Wibaut moet worden gevolgd in haar stelling dat de aanvraag niet mede betrekking had op de aanleg van de grondwal. Gelet op de stellige mededeling van Wibaut ter zitting houdt de voorzieningenrechter het er voorshands voor dat daarvan geen sprake is geweest, althans dat Wibaut niet heeft beoogd om ook voor de aanleg van de grondwal een omgevingsvergunning aan te vragen. In dat geval moet de mededeling van verweerder dat voor de aanleg geen vergunning nodig is, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter worden gekwalificeerd als een informatieve mededeling dat de aanleg daarvan omgevingsvergunningvrij is. De voorzieningenrechter zal het er voorshands voor houden dat verweerders standpunt in zoverre een ambtshalve gegeven bestuurlijk rechtsoordeel betreft. Zo’n rechtsoordeel is in beginsel niet aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In uitzonderingssituaties moet een bestuurlijk rechtsoordeel, hoewel dat geen rechtsgevolg heeft, omwille van de rechtsbescherming met een besluit worden gelijkgesteld. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkene onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit, met name betreffende handhaving of vergunningverlening, bij de bestuursrechter aan de orde te stellen (zie onder meer ECLI:NL:RVS:2019:4242). Van een dergelijke situatie is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter evenwel geen sprake.Verzoekster kan, indien wordt begonnen met de aanleg van een grondwal, een handhavingsverzoek indienen, hetgeen in dit geval de aangewezen ingang is tot een eventuele bestuursrechtelijke procedure. Tegen verweerders beslissing daarop staat bezwaar open (Zie bijvoorbeeld ECLI:NLRBOVE:2018:4617).
6.3
Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen reden is om op dit punt de verzochte voorlopige voorziening te treffen.
De nutsvoorzieningen en de riolering.
7.1
Het verzoek om een voorlopige voorziening is er verder op gericht de omgevingsvergunning die de aanleg van de ondergrondse voorzieningen mogelijk maakt te schorsen. Daartoe heeft verzoekster -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de aanleg van de nutsvoorziening en riolering een aantasting betekent van de archeologische waarden van het gebied en dat er daarnaast sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering omdat de aanleg voor een deel staat gepland op gronden die in eigendom zijn van verzoekster.
7.2
Vast staat dat het tracé van de nutsvoorziening en de riolering deels gepland staat op gronden in eigendom van verzoekster. Voorts neemt de voorzieningenrechter voorshands als vaststaand aan dat de gronden waar de ondergrondse infrastructuur zal worden aangelegd zowel in het bestemmingsplan Brederoodseweg 41 (bestemming: Waarde - Archeologie; artikel 6 van de planvoorschriften) als in het bestemmingsplan Duingebied (bestemming: Waarde - Archeologie - 2; artikel 18 van de planvoorschriften) mede zijn bestemd voor behoud, bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
7.3
Wibaut heeft door archeologenbureau Argo twee onderzoeken laten verrichten; een archeologisch bureauonderzoek neergelegd in een rapport opgesteld in oktober 2015 alsmede een inventariserend veldonderzoek (boringen) aan de Brederoodseweg 41, neergelegd in een rapport opgesteld in maart 2016.
7.4
Verweerder heeft in het bestreden besluit naar deze rapportages verwezen. Bij het Inventariserend Veldonderzoek zijn in totaal 11 boringen geplaatst met een maximale diepte van 2.0 meter -maaiveld. De uitkomst van dit onderzoek is het advies om bij grondverzet vanaf 75 cm onder het huidige maaiveld (3,76 m +NAP) en een oppervlakte van meer dan 100 m2 de werkzaamheden archeologisch te laten begeleiden. De voorzieningenrechter begrijpt het ter zitting nader toegelichte standpunt van verweerder aldus dat hij de aanleg van de nutsvoorzieningen en de riolering toelaatbaar acht omdat de archeologische waarden van de betrokken locatie naar zijn oordeel in voldoende mate zijn vastgesteld en dat eventuele archeologische waarden gelet op voornoemde rapportages van Argo door de aanleg niet zullen worden geschaad.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.J. Poggemeier, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2021.
griffier
Voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/3239
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 september 2021 in de zaak tussen
Stichting ter Bescherming en Versterking van de cultuurhistorische, agrarische en natuurwaarden omgeving van de Ruïne van Brederode (SORB), te Santpoort-Zuid, verzoekster,
(gemachtigde: mr. L.W. Tellegen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Velsen, verweerder,(gemachtigde: mr. R.A.J. de Jong, werkzaam bij de gemeente Velsen).
Als derde-partijen nemen aan het geding deel:
Wibaut B.V.,
de heer [naam 1] ,
mevrouw [naam 2] ,
de heer [naam 3] ,
(gemachtigde: mr. dr. M. Klijnstra).
Procesverloop
Bij besluit van 20 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Wibaut B.V. (hierna: Wibaut) een omgevingsvergunning verleend voor de aanleg van riolering en nutsleidingen op de percelen Brederoodseweg 41, 41a en 41c te Santpoort-Zuid.
Verzoekster heeft tegen deze omgevingsvergunning bezwaar gemaakt. Zij heeft op 28 juli 2021 een verzoek om een voorlopige voorziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) ingediend. De Afdeling heeft het verzoek doorgezonden aan deze rechtbank ter verdere behandeling.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 augustus 2021 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen bij gemachtigde. Hij werd vergezeld door [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is verschenen de gemachtigde van de derde partijen, vergezeld door [naam 5] .
Beoordeling
2.1
Naast de kasteelruïne van Brederode in Santpoort-Zuid ligt het perceel Brederoodseweg 41. Op dit perceel staat de bouw gepland van drie vrijstaande woningen. Vast staat dat voor de bouw van twee van de drie woningen inmiddels een omgevingsvergunning is verleend. De beoordeling van de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning(en) en het ten behoeve van deze ontwikkeling vastgestelde bestemmingsplan Brederoodseweg 41 liggen ter beoordeling voor bij de Afdeling als gevolg van het coördinatiebesluit van 24 november 2016.
2.2
Ten behoeve van de bouw van de woningen moeten nutsleidingen en een riolering worden aangelegd. De ondergrondse infrastructuur moet deels worden aangelegd op gronden van verzoekster die daarvoor vooralsnog geen toestemming heeft verleend. Voorts staat de aanleg van een grondwal gepland die -naar de voorzieningenrechter ter zitting heeft begrepen- een geluidbuffer zal vormen tussen de te bouwen woningen en Tennispark Brederode.
3.1
Verweerder heeft voor de aanleg van de nutsleidingen en de riolering een omgevingsvergunning verleend. Ten aanzien van de grondwal heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat daarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, omdat het niet valt onder het verbod van het aanlegvergunningenstelsel.
4. De gronden van het voorliggende verzoek richten zich tegen de aanleg van de nutsleidingen en de riolering alsmede tegen verweerders standpunt dat de aanleg van de grondwal vergunningsvrij is. Voor zover het verzoek om een voorlopige voorziening ziet op schorsing van de verleende omgevingsvergunning d.d. 17 november 2020 voor de kap van 23 bomen op het perceel Brederoodseweg 41, 41a en 41c, heeft verzoekster dit bij brief van 9 augustus 2021 ingetrokken. Voor zover het verzoek om een voorlopige voorziening ziet op schorsing van de vaststelling van het bestemmingsplan, wordt dit behandeld door de Afdeling.
5. Verzoekster is eigenaar van een stuk grond waarover de nutsleidingen en de riolering moeten worden aangelegd. Zij kan daarom worden aangemerkt als belanghebbende bij deze procedure. Voor zover de gemachtigden van zowel verweerder als de derde partijen ter zitting anders hebben betoogd, worden zij daarin dan ook niet gevolgd.
De grondwal
6.1
De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit is genomen naar aanleiding van de door Wibaut ingediende aanvraag van 28 juli 2020. Het werk waarop de aanvraag betrekking heeft wordt als volgt omschreven: ‘Uitvoeren van graafwerkzaamheden en grondbewerkingen, zoals het afgraven en egaliseren van gronden en ondergrondse kabels en leidingen aanleggen’. Ter gelegenheid van de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening is namens Wibaut het standpunt ingenomen dat het nimmer haar bedoeling is geweest om de grondwal deel uit te laten maken van de aanvraag om een omgevingsvergunning. De aanvraag zag niet op de aanleg van een grondwal.
6.2
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Indien de grondwal wel deel uitmaakt van de aanvraag om een omgevingsvergunning had verweerder die aanvraag in zoverre moeten weigeren. De mededeling van verweerder dat voor de aanleg van de grondwal geen omgevingsvergunning nodig is, kan dan wel worden gelijkgesteld met een weigering waartegen voor verzoekster bezwaar open staat. Dit is evenwel anders indien Wibaut moet worden gevolgd in haar stelling dat de aanvraag niet mede betrekking had op de aanleg van de grondwal. Gelet op de stellige mededeling van Wibaut ter zitting houdt de voorzieningenrechter het er voorshands voor dat daarvan geen sprake is geweest, althans dat Wibaut niet heeft beoogd om ook voor de aanleg van de grondwal een omgevingsvergunning aan te vragen. In dat geval moet de mededeling van verweerder dat voor de aanleg geen vergunning nodig is, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter worden gekwalificeerd als een informatieve mededeling dat de aanleg daarvan omgevingsvergunningvrij is. De voorzieningenrechter zal het er voorshands voor houden dat verweerders standpunt in zoverre een ambtshalve gegeven bestuurlijk rechtsoordeel betreft. Zo’n rechtsoordeel is in beginsel niet aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In uitzonderingssituaties moet een bestuurlijk rechtsoordeel, hoewel dat geen rechtsgevolg heeft, omwille van de rechtsbescherming met een besluit worden gelijkgesteld. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkene onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit, met name betreffende handhaving of vergunningverlening, bij de bestuursrechter aan de orde te stellen (zie onder meer ECLI:NL:RVS:2019:4242). Van een dergelijke situatie is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter evenwel geen sprake.Verzoekster kan, indien wordt begonnen met de aanleg van een grondwal, een handhavingsverzoek indienen, hetgeen in dit geval de aangewezen ingang is tot een eventuele bestuursrechtelijke procedure. Tegen verweerders beslissing daarop staat bezwaar open (Zie bijvoorbeeld ECLI:NLRBOVE:2018:4617).
6.3
Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen reden is om op dit punt de verzochte voorlopige voorziening te treffen.
De nutsvoorzieningen en de riolering.
7.1
Het verzoek om een voorlopige voorziening is er verder op gericht de omgevingsvergunning die de aanleg van de ondergrondse voorzieningen mogelijk maakt te schorsen. Daartoe heeft verzoekster -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de aanleg van de nutsvoorziening en riolering een aantasting betekent van de archeologische waarden van het gebied en dat er daarnaast sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering omdat de aanleg voor een deel staat gepland op gronden die in eigendom zijn van verzoekster.
7.2
Vast staat dat het tracé van de nutsvoorziening en de riolering deels gepland staat op gronden in eigendom van verzoekster. Voorts neemt de voorzieningenrechter voorshands als vaststaand aan dat de gronden waar de ondergrondse infrastructuur zal worden aangelegd zowel in het bestemmingsplan Brederoodseweg 41 (bestemming: Waarde - Archeologie; artikel 6 van de planvoorschriften) als in het bestemmingsplan Duingebied (bestemming: Waarde - Archeologie - 2; artikel 18 van de planvoorschriften) mede zijn bestemd voor behoud, bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
7.3
Wibaut heeft door archeologenbureau Argo twee onderzoeken laten verrichten; een archeologisch bureauonderzoek neergelegd in een rapport opgesteld in oktober 2015 alsmede een inventariserend veldonderzoek (boringen) aan de Brederoodseweg 41, neergelegd in een rapport opgesteld in maart 2016.
7.4
Verweerder heeft in het bestreden besluit naar deze rapportages verwezen. Bij het Inventariserend Veldonderzoek zijn in totaal 11 boringen geplaatst met een maximale diepte van 2.0 meter -maaiveld. De uitkomst van dit onderzoek is het advies om bij grondverzet vanaf 75 cm onder het huidige maaiveld (3,76 m +NAP) en een oppervlakte van meer dan 100 m2 de werkzaamheden archeologisch te laten begeleiden. De voorzieningenrechter begrijpt het ter zitting nader toegelichte standpunt van verweerder aldus dat hij de aanleg van de nutsvoorzieningen en de riolering toelaatbaar acht omdat de archeologische waarden van de betrokken locatie naar zijn oordeel in voldoende mate zijn vastgesteld en dat eventuele archeologische waarden gelet op voornoemde rapportages van Argo door de aanleg niet zullen worden geschaad.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.J. Poggemeier, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2021.
griffier
Voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.