Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-05-04
ECLI:NL:RBZWB:2022:2392
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,654 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Breda
zaak/rolnr.: 9450139 CV EXPL 21-3263
vonnis d.d. 4 mei 2022
inzake
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser,
gemachtigde: mr. A. Quispel, advocaat te Oud-Beijerland,
tegen
[gedaagde]
,
statutair gevestigd te [woonplaats 2] , tevens gevestigd en kantoorhoudende te [adres 1] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.C.W. Geffroy, advocaat te Ede.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
1Het verloop van het geding
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. het tussenvonnis van 10 november 2021 met de daarin genoemde processtukken;
b. de brief van 9 maart 2022 met producties 7, 8 en 9 van [eiser] ;
c. de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 21 maart 2022.
Geschil
2.1
[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. voor recht te verklaren dat [gedaagde] op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de mishandeling die zich op 26 september 2020 heeft voorgedaan;
b. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser] , een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
c. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
2.2
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente hierover.
Beoordeling
3.1
Tussen partijen staan de volgende feiten in rechte vast:
- [eiser] heeft met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam 1] een uitzendovereenkomst Fase 1/2 (A) met uitzendbeding gesloten.
Op grond van deze overeenkomst is [eiser] uitgezonden aan [gedaagde] in de functie van medewerker productiewanden, welke functie inhoudt dat hij ondersteuning biedt aan de productielijn van prefab betonwanden van [gedaagde] .
- Op 26 september 2020 vond in de productieruimte van de fabriek van [gedaagde] een woordenwisseling plaats tussen [eiser] en zijn leidinggevende [naam 2] over (een deel van) de terugbetaling van het aankoopbedrag van een auto die [eiser] van [naam 2] had gekocht voor € 1.200,00 die niet veel later kapot bleek te zijn.
- Op 10 oktober 2020 heeft [eiser] aangifte gedaan van zware mishandeling gepleegd op 26 september 2020. In het proces-verbaal van aangifte staat – voor zover relevant – het volgende vermeld:
“(…)
Ik doe aangifte van mishandeling. De nader omschreven persoon heeft mij met opzet zodanig tegen mijn long geschopt en met een mes in mijn rug gestoken, waardoor ik pijn en letsel kreeg.
Dit letsel bestond uit: een doorboorde long
Ik verklaar hierover het volgende:
Ik ben werkzaam bij het bedrijf genaamd [gedaagde] gevestigd op de [adres 1] . [gedaagde] is een betonfabriek en ik ben er werkzaam als betonvlechter.
Op zaterdag 26 september 2020 was ik vanaf 08.30 uur werkzaam in de productieruimte van de fabriek. Om 10 uur had ik pauze. Tijdens deze pauze verbleef ik in de productieruimte.
Ik was daar samen met nog vier collega’s. Dit waren [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . De achternaam van [naam 5] weet ik niet.
Ik zag dat [naam 2] Vodka bij zich had en hij dronk dit samen met [naam 3] op.
Ik kreeg een woordenwisseling met [naam 2] . [naam 2] is mijn leidinggevende. Deze ruzie ging over het feit dat ik een auto gekocht had van [naam 2] en deze auto bleek kapot te zijn. [naam 2] zou de auto voor mij repareren maar ik wilde dit niet omdat ik 1200,- euro voor de auto had betaald. Ik wilde mijn geld terug.
Ik voelde dat [naam 2] mij vast bleef houden en ik zag dat [naam 3] mij een harde schop met zijn werkschoen tegen mijn ribben aangaf ter hoogte van mijn longen. Deze werkschoen heeft een stalen neus. Deze trap deed ontzettend veel pijn en ik merkte dat ik moeite kreeg om adem te halen. Vervolgens zag ik dat [naam 3] een mes in zijn hand had. Ik voelde en zag dat [naam 3] mij in mijn rug, aan de linkerkant onder mijn schouderblad, stak. [naam 2] had mij nog steeds vast. Ik zag dat het een stanley mes was. Ik weet niet meer met welke had [naam 3] mij gestoken heeft. Dit deed ontzettend veel pijn en ik viel op de grond.
Ik ben op de grond gevallen en [naam 4] en [naam 5] hebben mij geholpen. Ik was niet volledig buiten bewustzijn maar wel bijna. Ik hoorde dat iemand zei, ik weet niet meer wie, dat ik vodka moest drinken zodat ik geen pijn zou voelen.
Ik weet dat [naam 2] en [naam 3] nog op de werkplek aanwezig waren.
[naam 4] en [naam 5] hebben mij naar de huisartsenpost in Oosterhout gebracht. De arts van de huisartsenpost vertelde dat hij mij niet kon helpen en heeft mij doorverwezen naar het ziekenhuis in Breda. Op de parkeerplaats bij de huisartsenpost in Oosterhout heb ik [naam 2] nog gezien.
[naam 2] wilde mij 250,- euro geven en ik hoorde dat hij zei: “nu zijn we quitte, nu is het voldoende”.
[naam 4] en [naam 5] zouden mij naar het ziekenhuis in Breda brengen echter dit hebben ze niet gedaan. Ze hebben mij naar de camping gebracht in [adres 2] . Dit is mijn verblijfadres. Hier hebben [naam 4] en [naam 5] mij achtergelaten als een soort hond zodat ik hier kon
sterven. Ik kon niet meer lopen van de pijn. Uiteindelijk ben ik gevonden door [naam 6] en hij heeft mij naar het ziekenhuis in Breda gebracht.
In de auto, op weg naar het ziekenhuis in Breda, heeft [naam 6] de overdrachtskaart van de huisartsenpost in Oosterhout gelezen. Hieruit blijkt dat [naam 4] en [naam 5] gelogen hebben over de toedracht van mijn verwondingen. [naam 4] en [naam 5] hebben hij de huisartsenpost in Oosterhout verteld dat ik met de verwondingen op mijn werk verschenen was en dat ik mijn verwondingen op de camping opgelopen had.
Mijn [naam land] identiteitsbewijs ben ik ook kwijt. Ik weet niet of ik dit bij de huisartsenpost in Oosterhout achterlaten heb of dat [naam 4] en [naam 5] dit in hun bezit hebben.
Ik ben in het ziekenhuis in Breda onderzocht. Ik ben twee dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis vanwege de behandeling. Ik had moeite met ademhalen. Ik heb een operatie gehad vanwege een thoraxtrauma. Ik heb een drain gehad. Deze drain is er net pas uit.
De arts heeft mij verteld dat het mes 4 1/2 centimeter diep in mijn lijf gestoken was.
(…)”
- Blijkens de brief van 8 februari 2022 van de politie blijkt dat er nog geen gegevens zijn verwerkt waaruit blijkt dat de aangifte verder is opgepakt.
- Bij brieven van 15 oktober 2020 en 9 februari 2021 heeft [eiser] [gedaagde] en [naam 1] afzonderlijk aansprakelijk gesteld.
3.2
Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [eiser] dat hij tijdens zijn werk op 26 september 2020 door zijn leidinggevende en een collega zwaar is mishandeld waardoor hij ernstige letsel heeft opgelopen, zodat [gedaagde] jegens [eiser] op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor zijn schade. [eiser] stelt dat hij van zijn leidinggevende [naam 2] op 26 september 2020 moest komen werken. [eiser] had zich verslapen en was daardoor rond 09.00 uur op het werk. Hij en [naam 2] hadden daar afgesproken. Zij zouden samen kijken wat er aan de hand was met de auto die [eiser] van [naam 2] had gekocht. Daarom had [eiser] met de auto het bedrijfsterrein opgereden. Na 10.00 uur hadden zij pauze en hebben zij achter op het bedrijfsterrein de auto op een heftruck gezet en naar de auto gekeken. Rond 11.00 uur heeft het incident zich voorgedaan waarbij Domalski en [naam 3] [eiser] hebben mishandeld. [eiser] heeft als gevolg van de mishandeling ernstig letsel opgelopen en is met spoed behandeld.
Er is een traumatische pneumothorax (klaplong) links en een diepe wond links thoracaal vastgesteld.
3.3
[gedaagde] heeft haar aansprakelijkheid jegens [eiser] weersproken, waarbij onder meer is aangegeven dat niet is voldaan aan het vereiste van functioneel verband zoals dat uit artikel 6:170 lid 1 BW voortvloeit. Verder betwist [gedaagde] de toedracht van het voorval en de (omvang van de) schade. Daarnaast stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat [eiser] op de dag van de mishandeling niet is opgeroepen om te komen werken. Ook [naam 2] was op de bewuste dag niet aan het werk. [naam 2] is aangesproken over het incident, maar hij ontkent dat er iets is gebeurd. [eiser] is op het bedrijfsterrein van [gedaagde] geweest om aan zijn auto te sleutelen. Dat is geen ruimte waar men met personeel samen hoort te zijn in de pauze. Dat is een soort van privé moment waarin minder zeggenschap van de werkgever aanwezig is. Bovendien duidt de door [eiser] beschreven situatie op een incident in de privésfeer. Er is geen sprake geweest van een opdracht tot het verrichten van een bepaalde taak die de kans op de fout heeft verhoogd, aldus [gedaagde] .
3.4
Voor ligt de vraag of [gedaagde] jegens [eiser] op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is.
Dictum
De kantonrechter:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 150,00 als salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] , te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de 15e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.M. Rouwen, en in het openbaar uitgesproken op
4 mei 2022.