Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-01
ECLI:NL:RBROT:2026:3645
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
16,072 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3645 text/xml public 2026-04-29T13:38:46 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-01 C/10/697298 / HA ZA 25-296 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3645 text/html public 2026-04-29T13:37:27 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3645 Rechtbank Rotterdam , 01-04-2026 / C/10/697298 / HA ZA 25-296 Hulploon-zaak. Lekkages in binnenschip, varend van Antwerpen naar Ibbenbüren in Duitsland en geladen met 200 ton industriezout. Eigenaar van drie binnenschepen vordert hulploon wegens verleende hulpverlening door haar bemanningen. Zo hebben bemanningsleden dynema-touwen (trossen) onder het zinkende schip doorgetrokken en deze aan een meerpaal vastgemaakt om verder zinken te voorkomen en het schip te stabiliseren. vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/697298 / HA ZA 25-296 Vonnis van 1 april 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V. , gevestigd te Zwijndrecht, eiseres, advocaat mr. T. Roos te Capelle aan den IJssel, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SCHEEPVAARTBEDRIJF [gedaagde] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde, advocaat mr. J.C. van Zuethem te Breda. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden. 1 De zaak in het kort [eiseres] heeft hulp verleend aan de [schip 1] , toen dit schip dreigde te zinken. De eigenaar van de [schip 1] heeft minder hulploon betaald dan [eiseres] had gefactureerd. [gedaagde] moet van de rechtbank bijbetalen, maar minder dan [eiseres] heeft gevorderd. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 14 maart 2025, met producties 1 tot en met 6; de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4; de oproep van 17 juni 2025 voor een mondelinge behandeling; de akte van [eiseres] ten behoeve van mondelinge behandeling; producties 7 en 8 van [eiseres] ; de akte overlegging producties van [gedaagde] , met producties 5 en 6; de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025; de spreekaantekeningen van [gedaagde] . 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [gedaagde] is eigenaar van het binnenschip [schip 1] . 3.2. [eiseres] is eigenaar van de binnenschepen [schip 2] , [schip 3] en [schip 4] . 3.3. Op dinsdag 16 juli 2024 voer de [schip 1] , geladen met 1.120 ton industriezout, van Antwerpen naar Ibbenbüren in Duitsland. 3.4. Omstreeks 9:45 uur raakte de [schip 1] , varend op de Waal, de grond ter hoogte van kilometerraai 887,5 met lekkages door gaten in de [schip 1] tot gevolg. Er is water binnen gaan stromen in het voorschip van de [schip 1] . De [schip 1] is zelfstandig gevaren naar de voorhaven van de sluis Weurt. De bemanning heeft het schip daar vastgemaakt aan een afmeerpaal. Het voorschip van de [schip 1] was aan het zinken. 3.5. Om 9:55 uur, toen de [schip 1] nog op weg was naar de voorhaven van de sluis Weurt, hoorde de bemanning van de [schip 2] , een containerschip, een oproep van de sluis Weurt aan het m.s. [schip 5] om de [schip 1] te assisteren. De [schip 5] antwoordde: “Is goed maar veel materiaal of pompen heb ik niet”. Vervolgens heeft de [schip 2] (schipper [naam 1] ) de sluis Weurt opgeroepen en aangegeven dat de [schip 2] wel de hulpmiddelen had, zoals kleden en pompen. 3.6. Om 10:10 uur voer de [schip 2] de sluis uit en om 10:20 uur arriveerde zij bij de [schip 1] . Vervolgens nam de [schip 2] samen met de inmiddels gearriveerde brandweer (twee blusboten) de hulp aan de [schip 1] over van de [schip 5] . 3.7. Bemanningsleden van de [schip 2] hebben dynema-touwen (trossen) onder het voorschip van de [schip 1] doorgetrokken en deze aan de meerpaal vastgemaakt om verder zinken te voorkomen en het schip te stabiliseren. Hierbij werd gebruikt gemaakt van een vier meter lange pikhaak. Die pikhaak zat vast aan een werplijn die was vastgemaakt aan de twee dynema-touwen. Met die pikhaak werden die twee touwen getrokken onder de kiel van de [schip 1] . Vanuit de [schip 2] werd op deze touwen kracht uitgeoefend. Op deze manier is de [schip 1] gelicht. Vervolgens trok de brandweer een reddingskleed onder het schip. 3.8. Om omstreeks 11:15 uur arriveerde een auto van Hebo met een aanhanger met daarop pompen. Medewerkers van Hebo hebben pompen geplaatst in de voormachinekamer en voorpiek van de [schip 1] , die nog volledig onder water stonden. Het lukte echter niet om die ruimtes leeg te pompen, want het door de brandweer aangebrachte reddingskleed bleek (uiteindelijk) niet goed voor de gaten in de [schip 1] te zijn geplaatst. Daarop heeft de bemanning van de [schip 2] alsnog zelf een reddingskleed van de [schip 2] in een juiste positie voor het gat geplaatst. Daarna lukte het wel om beide ruimtes voor te pompen. 3.9. Op verzoek van de expert van de cascoverzekeraar van de [schip 1] , [naam 2] GmbH (hierna: [naam 2] ), zijn (indirect) door [eiseres] duikers opgeroepen (besteld) die het gat in de machinekamer van de [schip 1] provisorisch hebben dichtgemaakt door aan de binnenzijde van de machinekamer stempels voor het gat aan te brengen. 3.10. Rond 21:30 uur kon de [schip 6] , een kraanboot van bergingsbedrijf Hebo, die was ingeschakeld door Rijkswaterstaat, beginnen met het lossen van lading vanuit de voorzijde van het ruim van de [schip 1] in het door een expert opgeroepen (bestelde) m.s. [schip 7] . Om 21:43 uur ging de [schip 7] opzij van de [schip 6] liggen. Om 22:00 uur vertrok Hebo met haar pompen en werden de pompen van de om 21:20 uur ter plaatse gearriveerde [schip 3] in de voormachinekamer en de voorpiek van de [schip 1] geplaatst. 3.11. Om 22:45 uur werden de touwen van de [schip 2] , die onder de [schip 1] door op de paal aan de andere kant van de [schip 1] waren getrokken en vastgemaakt, één voor één gevierd, maar nog niet losgemaakt, om te kijken of de [schip 1] op zichzelf zou blijven drijven. De [schip 1] bleef drijven, waarna het liertouw van de [schip 2] als eerste werd teruggehaald. Het Dynema-touw is blijven staan. Het ene uiteinde daarvan bleef vastgemaakt aan de afmeerpaal aan de wal en het andere eind werd op de [schip 1] zélf vastgemaakt. 3.12. Om 23:00 uur maakte de [schip 2] los van de [schip 1] . De stroomkabels werden aan boord van de [schip 2] afgekoppeld en aan boord van de [schip 1] gelegd. De [schip 2] maakte plaats voor de [schip 6] , die op die wijze naast de [schip 1] kwam te liggen met de [schip 7] buitenop. De [schip 3] koppelde op de kop van de [schip 1] om zo voor extra drijfvermogen tijdens de nacht te zorgen en de stroomkabels werden direct weer aangesloten op de [schip 3] , die de stroom ging leveren voor alle op dat moment nog draaiende pompen. De [schip 3] pompte met haar twee zware pompen nog steeds water uit de [schip 1] . Het provisorisch gedichte grote gat in de voormachinekamer lekte toen nog steeds. 3.13. Op woensdag 17 juli 2024 om 08:00 uur werden de lossingswerkzaamheden hervat. Om 09:00 uur verschoof het reddingskleed voor het grote gat in de voormachinekamer van de [schip 1] vanwege het schroefwater van de [schip 3] , toen die boot van de voorzijde van de [schip 1] naar de achterzijde verhaalde. Daardoor kwam er direct zoveel meer water in de voormachinekamer van de [schip 1] dat de twee pompen van de [schip 3] dit niet voorgepompt kregen en het waterniveau in de machinekamer van de [schip 1] steeg. Hierop werd door de [schip 3] direct een derde, zwaardere, pomp in de machinekamer bijgeplaatst. Verder moest het grootste gat in de [schip 1] dringend opnieuw provisioneel worden gedicht. Hiervoor heeft [eiseres] desverzocht opnieuw (indirect) een duiker opgeroepen (besteld). 3.14. Om 11:00 uur was de [schip 1] leeg op 200 ton industriezout na. 3.15. Rond 13:00 uur arriveerde de duiker. In overleg met de duiker liet [eiseres] vanuit haar magazijn in Zwijndrecht materialen aanvoeren die nodig waren voor het afdichten van het grote gat in de voormachinekamer.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3645 text/xml public 2026-04-29T13:38:46 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-01 C/10/697298 / HA ZA 25-296 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3645 text/html public 2026-04-29T13:37:27 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3645 Rechtbank Rotterdam , 01-04-2026 / C/10/697298 / HA ZA 25-296 Hulploon-zaak. Lekkages in binnenschip, varend van Antwerpen naar Ibbenbüren in Duitsland en geladen met 200 ton industriezout. Eigenaar van drie binnenschepen vordert hulploon wegens verleende hulpverlening door haar bemanningen. Zo hebben bemanningsleden dynema-touwen (trossen) onder het zinkende schip doorgetrokken en deze aan een meerpaal vastgemaakt om verder zinken te voorkomen en het schip te stabiliseren. vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/697298 / HA ZA 25-296 Vonnis van 1 april 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V. , gevestigd te Zwijndrecht, eiseres, advocaat mr. T. Roos te Capelle aan den IJssel, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SCHEEPVAARTBEDRIJF [gedaagde] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde, advocaat mr. J.C. van Zuethem te Breda. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden. 1 De zaak in het kort [eiseres] heeft hulp verleend aan de [schip 1] , toen dit schip dreigde te zinken. De eigenaar van de [schip 1] heeft minder hulploon betaald dan [eiseres] had gefactureerd. [gedaagde] moet van de rechtbank bijbetalen, maar minder dan [eiseres] heeft gevorderd. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 14 maart 2025, met producties 1 tot en met 6; de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4; de oproep van 17 juni 2025 voor een mondelinge behandeling; de akte van [eiseres] ten behoeve van mondelinge behandeling; producties 7 en 8 van [eiseres] ; de akte overlegging producties van [gedaagde] , met producties 5 en 6; de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025; de spreekaantekeningen van [gedaagde] . 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [gedaagde] is eigenaar van het binnenschip [schip 1] . 3.2. [eiseres] is eigenaar van de binnenschepen [schip 2] , [schip 3] en [schip 4] . 3.3. Op dinsdag 16 juli 2024 voer de [schip 1] , geladen met 1.120 ton industriezout, van Antwerpen naar Ibbenbüren in Duitsland. 3.4. Omstreeks 9:45 uur raakte de [schip 1] , varend op de Waal, de grond ter hoogte van kilometerraai 887,5 met lekkages door gaten in de [schip 1] tot gevolg. Er is water binnen gaan stromen in het voorschip van de [schip 1] . De [schip 1] is zelfstandig gevaren naar de voorhaven van de sluis Weurt. De bemanning heeft het schip daar vastgemaakt aan een afmeerpaal. Het voorschip van de [schip 1] was aan het zinken. 3.5. Om 9:55 uur, toen de [schip 1] nog op weg was naar de voorhaven van de sluis Weurt, hoorde de bemanning van de [schip 2] , een containerschip, een oproep van de sluis Weurt aan het m.s. [schip 5] om de [schip 1] te assisteren. De [schip 5] antwoordde: “Is goed maar veel materiaal of pompen heb ik niet”. Vervolgens heeft de [schip 2] (schipper [naam 1] ) de sluis Weurt opgeroepen en aangegeven dat de [schip 2] wel de hulpmiddelen had, zoals kleden en pompen. 3.6. Om 10:10 uur voer de [schip 2] de sluis uit en om 10:20 uur arriveerde zij bij de [schip 1] . Vervolgens nam de [schip 2] samen met de inmiddels gearriveerde brandweer (twee blusboten) de hulp aan de [schip 1] over van de [schip 5] . 3.7. Bemanningsleden van de [schip 2] hebben dynema-touwen (trossen) onder het voorschip van de [schip 1] doorgetrokken en deze aan de meerpaal vastgemaakt om verder zinken te voorkomen en het schip te stabiliseren. Hierbij werd gebruikt gemaakt van een vier meter lange pikhaak. Die pikhaak zat vast aan een werplijn die was vastgemaakt aan de twee dynema-touwen. Met die pikhaak werden die twee touwen getrokken onder de kiel van de [schip 1] . Vanuit de [schip 2] werd op deze touwen kracht uitgeoefend. Op deze manier is de [schip 1] gelicht. Vervolgens trok de brandweer een reddingskleed onder het schip. 3.8. Om omstreeks 11:15 uur arriveerde een auto van Hebo met een aanhanger met daarop pompen. Medewerkers van Hebo hebben pompen geplaatst in de voormachinekamer en voorpiek van de [schip 1] , die nog volledig onder water stonden. Het lukte echter niet om die ruimtes leeg te pompen, want het door de brandweer aangebrachte reddingskleed bleek (uiteindelijk) niet goed voor de gaten in de [schip 1] te zijn geplaatst. Daarop heeft de bemanning van de [schip 2] alsnog zelf een reddingskleed van de [schip 2] in een juiste positie voor het gat geplaatst. Daarna lukte het wel om beide ruimtes voor te pompen. 3.9. Op verzoek van de expert van de cascoverzekeraar van de [schip 1] , [naam 2] GmbH (hierna: [naam 2] ), zijn (indirect) door [eiseres] duikers opgeroepen (besteld) die het gat in de machinekamer van de [schip 1] provisorisch hebben dichtgemaakt door aan de binnenzijde van de machinekamer stempels voor het gat aan te brengen. 3.10. Rond 21:30 uur kon de [schip 6] , een kraanboot van bergingsbedrijf Hebo, die was ingeschakeld door Rijkswaterstaat, beginnen met het lossen van lading vanuit de voorzijde van het ruim van de [schip 1] in het door een expert opgeroepen (bestelde) m.s. [schip 7] . Om 21:43 uur ging de [schip 7] opzij van de [schip 6] liggen. Om 22:00 uur vertrok Hebo met haar pompen en werden de pompen van de om 21:20 uur ter plaatse gearriveerde [schip 3] in de voormachinekamer en de voorpiek van de [schip 1] geplaatst. 3.11. Om 22:45 uur werden de touwen van de [schip 2] , die onder de [schip 1] door op de paal aan de andere kant van de [schip 1] waren getrokken en vastgemaakt, één voor één gevierd, maar nog niet losgemaakt, om te kijken of de [schip 1] op zichzelf zou blijven drijven. De [schip 1] bleef drijven, waarna het liertouw van de [schip 2] als eerste werd teruggehaald. Het Dynema-touw is blijven staan. Het ene uiteinde daarvan bleef vastgemaakt aan de afmeerpaal aan de wal en het andere eind werd op de [schip 1] zélf vastgemaakt. 3.12. Om 23:00 uur maakte de [schip 2] los van de [schip 1] . De stroomkabels werden aan boord van de [schip 2] afgekoppeld en aan boord van de [schip 1] gelegd. De [schip 2] maakte plaats voor de [schip 6] , die op die wijze naast de [schip 1] kwam te liggen met de [schip 7] buitenop. De [schip 3] koppelde op de kop van de [schip 1] om zo voor extra drijfvermogen tijdens de nacht te zorgen en de stroomkabels werden direct weer aangesloten op de [schip 3] , die de stroom ging leveren voor alle op dat moment nog draaiende pompen. De [schip 3] pompte met haar twee zware pompen nog steeds water uit de [schip 1] . Het provisorisch gedichte grote gat in de voormachinekamer lekte toen nog steeds. 3.13. Op woensdag 17 juli 2024 om 08:00 uur werden de lossingswerkzaamheden hervat. Om 09:00 uur verschoof het reddingskleed voor het grote gat in de voormachinekamer van de [schip 1] vanwege het schroefwater van de [schip 3] , toen die boot van de voorzijde van de [schip 1] naar de achterzijde verhaalde. Daardoor kwam er direct zoveel meer water in de voormachinekamer van de [schip 1] dat de twee pompen van de [schip 3] dit niet voorgepompt kregen en het waterniveau in de machinekamer van de [schip 1] steeg. Hierop werd door de [schip 3] direct een derde, zwaardere, pomp in de machinekamer bijgeplaatst. Verder moest het grootste gat in de [schip 1] dringend opnieuw provisioneel worden gedicht. Hiervoor heeft [eiseres] desverzocht opnieuw (indirect) een duiker opgeroepen (besteld). 3.14. Om 11:00 uur was de [schip 1] leeg op 200 ton industriezout na. 3.15. Rond 13:00 uur arriveerde de duiker. In overleg met de duiker liet [eiseres] vanuit haar magazijn in Zwijndrecht materialen aanvoeren die nodig waren voor het afdichten van het grote gat in de voormachinekamer.
Volledig
Rond 14:00 uur werd in overleg met de duiker ook de [schip 4] van [eiseres] opgeroepen (besteld), om snel materiaal en gereedschap te brengen voor het dichten van een gat in de voormachinekamer van de [schip 1] , die weer aan het vollopen was. Om 17:00 uur arriveerde de [schip 4] . 3.16. Van 13:00 uur tot 22:00 uur zorgde de bemanning van de [schip 3] in samenwerking met de duiker en de bemanning van de [schip 4] ervoor dat het grote gat in de voormachinekamer opnieuw waterdicht werd gemaakt. 3.17. Op donderdag 18 juli 2024 om 7:00 uur werd het anker van de [schip 1] omhooggehaald met de kraan van de [schip 3] . Daarna heeft de [schip 3] de [schip 1] geduwd naar Duisburg in Duitsland. 3.18. [eiseres] en [naam 2] hebben in augustus 2024 met elkaar, en in september 2024 met elkaar en met de expert voor ladingbelanghebbenden, overlegd over de hoogte van het hulploon. 3.19. [eiseres] heeft voor haar hulp op 12 september 2024 € 160.000,--, te vermeerderen met BTW, aan [gedaagde] gefactureerd. De cascoverzekeraar van de [gedaagde] heeft op 3 februari 2025 € 115.000,-- voor hulploon aan [eiseres] betaald. [gedaagde] heeft op 3 februari 2025 € 24.150,-- (de BTW over € 115.000,--) aan [eiseres] betaald. 4 Het geschil 4.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde] veroordeelt tot: I. het in het geding brengen van de onder 26 ad a van de dagvaarding genoemde stukken; II. betaling aan [eiseres] van € 54.450,-- (inclusief BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, III. betaling van de proceskosten. 4.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] , bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, in de proceskosten, waaronder de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis, te vermeerderen – voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – met de wettelijke rente. 4.3. Op de standpunten van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover zij daarvoor van belang zijn, nader ingegaan. 5 De beoordeling Vordering I 5.1. Met vordering I wenste [eiseres] , om meer inzicht te krijgen in de geredde waarde van de [schip 1] en van de lading, inzage te krijgen in de volgende bescheiden: - een recent taxatierapport van het schip - de cascopolis met daarin de verzekerde som - de handelsfactuur van de lading industriezout aan boord van de [schip 1] - door ladingbelanghebbenden ingevulde en ondertekende IVR-revers. 5.2. [eiseres] heeft echter op de zitting verklaard dat zij geen gegevens meer verlangt van [gedaagde] . [eiseres] heeft vordering I dus ingetrokken. Over vordering I zal dus niet meer worden beslist. Vordering II Inleiding 5.3. Met vordering II vordert [eiseres] (uitsluitend) hulploon. Toepasselijk recht 5.4. Nederland is partij bij het op 28 april 1989 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake hulpverlening (hierna: Hulpverleningsverdrag 1989). Omdat deze hulploonzaak aanhangig is gemaakt in een staat die partij is bij dit verdrag, is op grond van artikel 2 het Hulpverleningsverdrag 1989 van toepassing. De voor de beoordeling van deze zaak relevante bepalingen van het Hulpverleningsverdrag 1989 verschillen niet van het Nederlands recht aan de hand waarvan de partijdiscussie mede is gevoerd. De rechtbank vermeldt hieronder gemakshalve (alleen) de bepalingen uit Boek 8 BW. [eiseres] heeft hulploon verdiend 5.5. Van hulpverlening is sprake bij iedere daad of werkzaamheid die is verricht om hulp te verlenen aan een in bevaarbaar water of in welk ander water dan ook in gevaar verkerend schip of andere zaak (artikel 8:551 sub a BW). Gevaar is aanwezig wanneer een reële dreiging van het oplopen van schade bestaat en het schip zich niet door eigen kracht, zonder hulp van buiten, uit de gevaarlijke situatie kan redden. Ook een betrekkelijk geringe mate van gevaar kan voldoende zijn om het bestaan van gevaar aan te nemen (HR 9 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1985, ( Frio Alaska )). De vraag of er gevaar bestond, moet worden beoordeeld naar het moment waarop met de dienstverlening is begonnen. De hulpverlening duurt voort zolang sprake is van gevaar (HR 12 juni 1981, ECLI:NL:HR: 1981:AG4207 ( Zwaardvis )). 5.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de [schip 1] op 16 juli 2024 ten tijde van de aanvang van de hulpverlening in gevaar verkeerde en dat vervolgens door [eiseres] op verzoek van [gedaagde] hulp is verleend aan de [schip 1] . 5.7. Op grond van artikel 8:561 lid 1 BW geeft hulp die met gunstig gevolg is verleend recht op hulploon. Niet ter discussie staat dat het aan de [schip 2] te danken is dat de [schip 1] drijvende is gebleven. De bemanning van de [schip 2] heeft het met vindingrijkheid en niet zonder gevaar voor de eigen veiligheid klaargespeeld om lijnen onder de [schip 1] door te halen en deze aan te halen, waardoor het schip, waarvan de voormachinekamer en de voorpiek vol water liepen, enkele decimeters werd gelicht en kon worden leeggepompt. De stuurman van de [schip 2] stond in die precaire situatie op het zinkende schip uiteindelijk tot aan zijn schouders in het water, zoals op de overgelegde foto’s is te zien. De door [eiseres] verleende hulpverlening had dus een gunstig gevolg. [eiseres] had dus recht op hulploon. Zijdens [gedaagde] is dit niet bestreden en is er € 115.000,-- voor hulploon betaald en ook de BTW daarover is voldaan. De omvang van het hulploon 5.8. In geschil is of [gedaagde] daarenboven nog het onbetaald gelaten deel van het door [eiseres] gefactureerde hulploon (€ 45.000,--) en de BTW daarover (€ 9.450,--) moet voldoen. 5.9. Gebleken is dat partijen geen overeenkomst hebben gesloten over het hulploon. Daarom moet de rechtbank de omvang van het door [gedaagde] eventueel nog verschuldigde hulploon vaststellen (artikel 8:563 lid 1 BW). 5.10. De rechtbank moet hulploon vaststellen met het oog op het aanmoedigen van hulpverlening, rekening houdend met de volgende criteria op grond van artikel 8:563 lid 2 BW: de geredde waarde van het schip en de andere goederen; de vakkundigheid en inspanningen van de hulpverleners, betoond bij het voorkomen of beperken van schade aan het milieu; de mate van de door de hulpverleners verkregen gunstige uitslag; e aard en ernst van het gevaar; de vakkundigheid en inspanningen betoond door de hulpverleners bij de redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens; de door de hulpverleners gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen; het risico van aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners of hun uitrusting gelopen risico’s; de snelheid van de verleende diensten; de beschikbaarheid en het gebruik van schepen of andere voor hulpverlening bestemde uitrusting; de staat van gereedheid alsmede de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de hulpverleners. ( a) de geredde waarde van de [schip 1] en de andere goederen 5.11. Volgens [eiseres] is de geredde waarde van de [schip 1] € 410.000,--, het bedrag waarvoor het schip in 2006 is aangekocht. 5.12. Volgens [gedaagde] is de geredde waarde van de [schip 1] slechts € 35.000,--, de waarde waarvoor het schip na het incident aan een schroothandelaar is verkocht. Ter onderbouwing hiervan heeft [gedaagde] als productie 2 een koopovereenkomst in het geding gebracht waarin een verkoopprijs is opgenomen van € 35.000,--. Daarnaast voert [gedaagde] het volgende aan. De schroothandelaar heeft het wrak van de “ [schip 1] ” met alles erop en eraan gekocht inclusief de motoren en de nautische apparatuur (zie productie 7). In tegenstelling tot wat [eiseres] beweert, was het ook niet mogelijk de motoren uit het schip nog apart te verkopen. De boegschroefmotor had onder water gestaan. Het zou een nutteloze exercitie zijn om de oude hoofdmotor van het uit 1948 daterende schip los te verkopen. Gelet op de strenge emissie-eisen kan een dergelijke motor niet worden overgezet naar een ander schip en heeft het daarom geen hogere waarde dan schrootwaarde.
Volledig
Rond 14:00 uur werd in overleg met de duiker ook de [schip 4] van [eiseres] opgeroepen (besteld), om snel materiaal en gereedschap te brengen voor het dichten van een gat in de voormachinekamer van de [schip 1] , die weer aan het vollopen was. Om 17:00 uur arriveerde de [schip 4] . 3.16. Van 13:00 uur tot 22:00 uur zorgde de bemanning van de [schip 3] in samenwerking met de duiker en de bemanning van de [schip 4] ervoor dat het grote gat in de voormachinekamer opnieuw waterdicht werd gemaakt. 3.17. Op donderdag 18 juli 2024 om 7:00 uur werd het anker van de [schip 1] omhooggehaald met de kraan van de [schip 3] . Daarna heeft de [schip 3] de [schip 1] geduwd naar Duisburg in Duitsland. 3.18. [eiseres] en [naam 2] hebben in augustus 2024 met elkaar, en in september 2024 met elkaar en met de expert voor ladingbelanghebbenden, overlegd over de hoogte van het hulploon. 3.19. [eiseres] heeft voor haar hulp op 12 september 2024 € 160.000,--, te vermeerderen met BTW, aan [gedaagde] gefactureerd. De cascoverzekeraar van de [gedaagde] heeft op 3 februari 2025 € 115.000,-- voor hulploon aan [eiseres] betaald. [gedaagde] heeft op 3 februari 2025 € 24.150,-- (de BTW over € 115.000,--) aan [eiseres] betaald. 4 Het geschil 4.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde] veroordeelt tot: I. het in het geding brengen van de onder 26 ad a van de dagvaarding genoemde stukken; II. betaling aan [eiseres] van € 54.450,-- (inclusief BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, III. betaling van de proceskosten. 4.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] , bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, in de proceskosten, waaronder de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis, te vermeerderen – voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – met de wettelijke rente. 4.3. Op de standpunten van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover zij daarvoor van belang zijn, nader ingegaan. 5 De beoordeling Vordering I 5.1. Met vordering I wenste [eiseres] , om meer inzicht te krijgen in de geredde waarde van de [schip 1] en van de lading, inzage te krijgen in de volgende bescheiden: - een recent taxatierapport van het schip - de cascopolis met daarin de verzekerde som - de handelsfactuur van de lading industriezout aan boord van de [schip 1] - door ladingbelanghebbenden ingevulde en ondertekende IVR-revers. 5.2. [eiseres] heeft echter op de zitting verklaard dat zij geen gegevens meer verlangt van [gedaagde] . [eiseres] heeft vordering I dus ingetrokken. Over vordering I zal dus niet meer worden beslist. Vordering II Inleiding 5.3. Met vordering II vordert [eiseres] (uitsluitend) hulploon. Toepasselijk recht 5.4. Nederland is partij bij het op 28 april 1989 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake hulpverlening (hierna: Hulpverleningsverdrag 1989). Omdat deze hulploonzaak aanhangig is gemaakt in een staat die partij is bij dit verdrag, is op grond van artikel 2 het Hulpverleningsverdrag 1989 van toepassing. De voor de beoordeling van deze zaak relevante bepalingen van het Hulpverleningsverdrag 1989 verschillen niet van het Nederlands recht aan de hand waarvan de partijdiscussie mede is gevoerd. De rechtbank vermeldt hieronder gemakshalve (alleen) de bepalingen uit Boek 8 BW. [eiseres] heeft hulploon verdiend 5.5. Van hulpverlening is sprake bij iedere daad of werkzaamheid die is verricht om hulp te verlenen aan een in bevaarbaar water of in welk ander water dan ook in gevaar verkerend schip of andere zaak (artikel 8:551 sub a BW). Gevaar is aanwezig wanneer een reële dreiging van het oplopen van schade bestaat en het schip zich niet door eigen kracht, zonder hulp van buiten, uit de gevaarlijke situatie kan redden. Ook een betrekkelijk geringe mate van gevaar kan voldoende zijn om het bestaan van gevaar aan te nemen (HR 9 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1985, ( Frio Alaska )). De vraag of er gevaar bestond, moet worden beoordeeld naar het moment waarop met de dienstverlening is begonnen. De hulpverlening duurt voort zolang sprake is van gevaar (HR 12 juni 1981, ECLI:NL:HR: 1981:AG4207 ( Zwaardvis )). 5.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de [schip 1] op 16 juli 2024 ten tijde van de aanvang van de hulpverlening in gevaar verkeerde en dat vervolgens door [eiseres] op verzoek van [gedaagde] hulp is verleend aan de [schip 1] . 5.7. Op grond van artikel 8:561 lid 1 BW geeft hulp die met gunstig gevolg is verleend recht op hulploon. Niet ter discussie staat dat het aan de [schip 2] te danken is dat de [schip 1] drijvende is gebleven. De bemanning van de [schip 2] heeft het met vindingrijkheid en niet zonder gevaar voor de eigen veiligheid klaargespeeld om lijnen onder de [schip 1] door te halen en deze aan te halen, waardoor het schip, waarvan de voormachinekamer en de voorpiek vol water liepen, enkele decimeters werd gelicht en kon worden leeggepompt. De stuurman van de [schip 2] stond in die precaire situatie op het zinkende schip uiteindelijk tot aan zijn schouders in het water, zoals op de overgelegde foto’s is te zien. De door [eiseres] verleende hulpverlening had dus een gunstig gevolg. [eiseres] had dus recht op hulploon. Zijdens [gedaagde] is dit niet bestreden en is er € 115.000,-- voor hulploon betaald en ook de BTW daarover is voldaan. De omvang van het hulploon 5.8. In geschil is of [gedaagde] daarenboven nog het onbetaald gelaten deel van het door [eiseres] gefactureerde hulploon (€ 45.000,--) en de BTW daarover (€ 9.450,--) moet voldoen. 5.9. Gebleken is dat partijen geen overeenkomst hebben gesloten over het hulploon. Daarom moet de rechtbank de omvang van het door [gedaagde] eventueel nog verschuldigde hulploon vaststellen (artikel 8:563 lid 1 BW). 5.10. De rechtbank moet hulploon vaststellen met het oog op het aanmoedigen van hulpverlening, rekening houdend met de volgende criteria op grond van artikel 8:563 lid 2 BW: de geredde waarde van het schip en de andere goederen; de vakkundigheid en inspanningen van de hulpverleners, betoond bij het voorkomen of beperken van schade aan het milieu; de mate van de door de hulpverleners verkregen gunstige uitslag; e aard en ernst van het gevaar; de vakkundigheid en inspanningen betoond door de hulpverleners bij de redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens; de door de hulpverleners gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen; het risico van aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners of hun uitrusting gelopen risico’s; de snelheid van de verleende diensten; de beschikbaarheid en het gebruik van schepen of andere voor hulpverlening bestemde uitrusting; de staat van gereedheid alsmede de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de hulpverleners. ( a) de geredde waarde van de [schip 1] en de andere goederen 5.11. Volgens [eiseres] is de geredde waarde van de [schip 1] € 410.000,--, het bedrag waarvoor het schip in 2006 is aangekocht. 5.12. Volgens [gedaagde] is de geredde waarde van de [schip 1] slechts € 35.000,--, de waarde waarvoor het schip na het incident aan een schroothandelaar is verkocht. Ter onderbouwing hiervan heeft [gedaagde] als productie 2 een koopovereenkomst in het geding gebracht waarin een verkoopprijs is opgenomen van € 35.000,--. Daarnaast voert [gedaagde] het volgende aan. De schroothandelaar heeft het wrak van de “ [schip 1] ” met alles erop en eraan gekocht inclusief de motoren en de nautische apparatuur (zie productie 7). In tegenstelling tot wat [eiseres] beweert, was het ook niet mogelijk de motoren uit het schip nog apart te verkopen. De boegschroefmotor had onder water gestaan. Het zou een nutteloze exercitie zijn om de oude hoofdmotor van het uit 1948 daterende schip los te verkopen. Gelet op de strenge emissie-eisen kan een dergelijke motor niet worden overgezet naar een ander schip en heeft het daarom geen hogere waarde dan schrootwaarde.
Volledig
Ook een verkoop van de verouderde navigatie- en radarapparatuur was economisch gezien zinloos en zou niet tot een hogere opbrengst hebben geleid. De apparatuur op het voorschip had al onder water gestaan, wat het schip voor een opkoper niet aantrekkelijk maakt. In tegenstelling tot wat [eiseres] betoogt, is het uiteraard niet relevant wat de verzekerde waarde van het schip was of welke theoretische waarde de dispache aan het schip toekent. Nog minder van belang is wat de verzekering voor de cascoschade heeft uitgekeerd. [gedaagde] stelt de geredde waarde van de lading op € 403.381,--, de commerciële waarde van de totale lading. Volgens [gedaagde] vertoonde namelijk zowel de 1.000 ton lading die al op 16 juli 2024 was gelost als de resterende lading geen (relevante) schade. Ten slotte voert [gedaagde] nog aan dat op genoemde geredde waardes van de [schip 1] en de lading nog de kosten in mindering moeten worden gebracht die zijn betaald aan de overige partijen, ten bedrage van in totaal € 49.181,09. 5.13. Niet in geschil is dat er ten tijde van het incident geen recent taxatierapport van de [schip 1] bestond. Uit het intrekken van vordering I leidt de rechtbank af dat [eiseres] de verzekerde som in de cascopolis niet meer nodig acht voor het bepalen van de geredde waarde van de [schip 1] . Van de zijde van [gedaagde] is op de zitting door de heer [naam 2] verklaard dat in de dispache opgemaakt vóór het incident als waarde van de [schip 1] een bedrag van € 198.000,-- staat. Door de advocaat van [eiseres] is hierop geantwoord dat hij die waarde in de dispache wel wil aannemen en ook dat hij wel wil aannemen dat de factuur met betrekking tot de verkoop van de [schip 1] na het incident € 35.000,-- bedraagt. 5.14. Verder heeft [eiseres] uiteindelijk aangenomen dat, zoals [gedaagde] stelt, de geredde waarde van de lading (afgerond) € 403.381,- bedraagt. 5.15. [eiseres] maakt geen bezwaar tegen het in mindering brengen op de geredde waarde van bovengenoemd bedrag van € 49.181,09 aan kosten. 5.16. Uit het bovenstaande volgt dat [eiseres] uiteindelijk uitgaat van een geredde waarde van afgerond (€ 198.000 + € 403.381 -/- € 49.181,09 =) € 552.200 en [schip 1] van een geredde waarde van afgerond (€ 35.000 + € 403.381 -/- € 49.181,09 =) € 389.200. 5.17. Hoewel partijen het niet eens zijn over de exacte hoogte van de geredde waarde, geeft de bandbreedte van € 389.200,-- tot € 552.200 de rechtbank voldoende informatie om te kunnen oordelen. De geredde waarde is een uitgangspunt om het hulploon op te baseren maar is niet de beslissende factor en het hulploon is ook geen vast percentage van die waarde. Het is niet nodig om een specifiek bedrag als geredde waarde te bepalen. (b) de vakkundigheid en inspanningen van de hulpverleners, betoond bij het voorkomen of beperken van schade aan het milieu 5.18. Volgens [eiseres] zou de [gedaagde] zonder de vakkundigheid en inspanningen van [eiseres] zijn gezonken en zou grote schade (olievervuiling en verzilting van het water en rivierbodem) aan het milieu zijn ontstaan. 5.19. [gedaagde] betwist dit. Volgens haar was er geen gevaar voor het milieu, want die luiken lagen gewoon dicht. Als er geen hulp was verleend, zou de [schip 1] gewoon met dichte luiken zijn gezonken. 5.20. De rechtbank kan niet vaststellen dat [eiseres] specifiek met het oog op voorkoming of beperking van schade aan het milieu deskundigheid of inspanningen heeft ingezet. Dat de kans bestond dat milieuschade zou ontstaan indien de [schip 1] niet was gered, maakt dat niet anders. Deze factor weegt dus niet positief of negatief mee in de hoogte van het hulploon. (c) de mate van de door de hulpverleners verkregen gunstige uitslag 5.21. Volgens [eiseres] is de uitslag van haar hulpverlening 100 procent gunstig. Zowel het schip als de lading is volledig gered en milieuschade (waterverontreiniging door olie en de lading zout uit het schip) is voorkomen. Zonder de hulpverlening zou sprake zijn geweest van een totaal verlies van het schip en de lading en hadden hoge kosten moeten worden gemaakt voor de berging van het schip en de lading. Eerst had de lading zout uit het schip moeten worden geborgen; de kosten daarvan zouden minimaal € 120.000,-- hebben bedragen. Daarna had het wrak met een of twee bokken moeten worden geborgen; de kosten daarvan zouden minimaal € 750.000,-- hebben bedragen. Het ter plaatse laten komen van een bok kost gemiddeld al € 100.000,--. De hulp van [eiseres] heeft derhalve schade ten bedrage van minimaal € 1.430.000,-- voorkomen, nog afgezien van de voorkomen kosten van opruiming van olievervuiling en de voorkomen schade aan het milieu. 5.22. Volgens [gedaagde] is de uitslag van de hulpverlening door [eiseres] in zoverre gunstig dat het schip door die hulpverlening niet volledig is afgezonken. Voor het overige is het resultaat volgens [gedaagde] echter maar beperkt, omdat het schip een total loss was en moest worden gesloopt. Wat betreft de lading voert [gedaagde] het volgende aan. Industriezout bevat geen bederfelijke organische componenten. Wanneer de [schip 1] volledig was gezonken, zou de schade aan de lading dus vrijwel gelijk zijn geweest als in de situatie die zich uiteindelijk heeft voorgedaan. Bovendien had de gehele lading ook kunnen worden gered wanneer het schip volledig was gezonken. Er was namelijk zo goed als geen stroming in de voorhaven van de sluis en er zaten luiken over de laadruimte, zodat het zout niet snel uit het schip zou zijn gestroomd. 5.23. De rechtbank oordeelt dat de hulpverlening een gunstige uitslag heeft gehad, vooral omdat de lading behouden is en zeer substantiële bergingskosten zijn voorkomen. Dat - als de [schip 1] volledig zou zijn gezonken - hoge kosten zouden moeten zijn gemaakt vanwege concreet dreigende of ontstane olieverontreiniging en milieuschade is onvoldoende aannemelijk geworden. Dit is dus een positief meewegende factor maar in mindere mate dan door [eiseres] betoogd. (d) de aard en ernst van het gevaar 5.24. Volgens [eiseres] waren de aard en de ernst van het gevaar aanzienlijk. Er bestond een acute en reële dreiging van zinken en plooien, van totaal verlies van het schip en de lading, van milieuschade, en van hoge bergingskosten. 5.25. [gedaagde] ziet dit anders. Aanvankelijk was het gevaar acuut, maar op 16 juli 2024 omstreeks 22:00 uur was het geweken. Het gevaar van zinken keerde uiteindelijk terug door toedoen van [eiseres] . In de ochtend van 17 juli 2024 verschoof het reddingskleed voor het grote gat in de voormachinekamer van de [schip 1] namelijk vanwege het schroefwater van de [schip 3] , toen die boot van de voorzijde van de [schip 1] naar de achterzijde verhaalde. Daardoor kwam er direct veel meer water in de voormachinekamer van de [schip 1] . Mocht er al hulploon worden toegekend, dan geldt dit dus slechts voor de periode tot 16 juli 2024 22:00 uur. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met het feit dat als alternatief ook een kraanschip had kunnen worden ingehuurd om de lading te redden. Stel dat de twee touwen niet waren gespannen en het voorschip van de [schip 1] zou zijn gezonken en terechtgekomen op de bodem van de voorhaven. Het water was aldaar niet diep. Dan had een zwemkraan uit Rotterdam kunnen worden besteld die het schip dan omhoog had getild teneinde lossen mogelijk te maken. Zeker gelet op de ervaring met de hoeveelheid van 125 ton die ondanks volledige doordrenking nog bruikbaar was, zou ook dan met zekerheid drie kwart van de lading volledig kunnen worden gered. Er was namelijk zo goed als geen stroming in de voorhaven van de sluis en er zaten luiken over de laadruimte. Het zout zou dus niet snel uit de [schip 1] zijn gestroomd. 5.26. [eiseres] betwist dat het kleed door een fout van [eiseres] is verschoven. Zoals [eiseres] uitvoerig in haar akte ten behoeve van mondelinge behandeling uiteen heeft gezet en vervolgens niet voldoende gemotiveerd is betwist door [gedaagde] , was het verschuiven van het kleed een gevolg van afnemende hydraulische druk toen de lading uit de [schip 1] werd gehaald.
Volledig
Ook een verkoop van de verouderde navigatie- en radarapparatuur was economisch gezien zinloos en zou niet tot een hogere opbrengst hebben geleid. De apparatuur op het voorschip had al onder water gestaan, wat het schip voor een opkoper niet aantrekkelijk maakt. In tegenstelling tot wat [eiseres] betoogt, is het uiteraard niet relevant wat de verzekerde waarde van het schip was of welke theoretische waarde de dispache aan het schip toekent. Nog minder van belang is wat de verzekering voor de cascoschade heeft uitgekeerd. [gedaagde] stelt de geredde waarde van de lading op € 403.381,--, de commerciële waarde van de totale lading. Volgens [gedaagde] vertoonde namelijk zowel de 1.000 ton lading die al op 16 juli 2024 was gelost als de resterende lading geen (relevante) schade. Ten slotte voert [gedaagde] nog aan dat op genoemde geredde waardes van de [schip 1] en de lading nog de kosten in mindering moeten worden gebracht die zijn betaald aan de overige partijen, ten bedrage van in totaal € 49.181,09. 5.13. Niet in geschil is dat er ten tijde van het incident geen recent taxatierapport van de [schip 1] bestond. Uit het intrekken van vordering I leidt de rechtbank af dat [eiseres] de verzekerde som in de cascopolis niet meer nodig acht voor het bepalen van de geredde waarde van de [schip 1] . Van de zijde van [gedaagde] is op de zitting door de heer [naam 2] verklaard dat in de dispache opgemaakt vóór het incident als waarde van de [schip 1] een bedrag van € 198.000,-- staat. Door de advocaat van [eiseres] is hierop geantwoord dat hij die waarde in de dispache wel wil aannemen en ook dat hij wel wil aannemen dat de factuur met betrekking tot de verkoop van de [schip 1] na het incident € 35.000,-- bedraagt. 5.14. Verder heeft [eiseres] uiteindelijk aangenomen dat, zoals [gedaagde] stelt, de geredde waarde van de lading (afgerond) € 403.381,- bedraagt. 5.15. [eiseres] maakt geen bezwaar tegen het in mindering brengen op de geredde waarde van bovengenoemd bedrag van € 49.181,09 aan kosten. 5.16. Uit het bovenstaande volgt dat [eiseres] uiteindelijk uitgaat van een geredde waarde van afgerond (€ 198.000 + € 403.381 -/- € 49.181,09 =) € 552.200 en [schip 1] van een geredde waarde van afgerond (€ 35.000 + € 403.381 -/- € 49.181,09 =) € 389.200. 5.17. Hoewel partijen het niet eens zijn over de exacte hoogte van de geredde waarde, geeft de bandbreedte van € 389.200,-- tot € 552.200 de rechtbank voldoende informatie om te kunnen oordelen. De geredde waarde is een uitgangspunt om het hulploon op te baseren maar is niet de beslissende factor en het hulploon is ook geen vast percentage van die waarde. Het is niet nodig om een specifiek bedrag als geredde waarde te bepalen. (b) de vakkundigheid en inspanningen van de hulpverleners, betoond bij het voorkomen of beperken van schade aan het milieu 5.18. Volgens [eiseres] zou de [gedaagde] zonder de vakkundigheid en inspanningen van [eiseres] zijn gezonken en zou grote schade (olievervuiling en verzilting van het water en rivierbodem) aan het milieu zijn ontstaan. 5.19. [gedaagde] betwist dit. Volgens haar was er geen gevaar voor het milieu, want die luiken lagen gewoon dicht. Als er geen hulp was verleend, zou de [schip 1] gewoon met dichte luiken zijn gezonken. 5.20. De rechtbank kan niet vaststellen dat [eiseres] specifiek met het oog op voorkoming of beperking van schade aan het milieu deskundigheid of inspanningen heeft ingezet. Dat de kans bestond dat milieuschade zou ontstaan indien de [schip 1] niet was gered, maakt dat niet anders. Deze factor weegt dus niet positief of negatief mee in de hoogte van het hulploon. (c) de mate van de door de hulpverleners verkregen gunstige uitslag 5.21. Volgens [eiseres] is de uitslag van haar hulpverlening 100 procent gunstig. Zowel het schip als de lading is volledig gered en milieuschade (waterverontreiniging door olie en de lading zout uit het schip) is voorkomen. Zonder de hulpverlening zou sprake zijn geweest van een totaal verlies van het schip en de lading en hadden hoge kosten moeten worden gemaakt voor de berging van het schip en de lading. Eerst had de lading zout uit het schip moeten worden geborgen; de kosten daarvan zouden minimaal € 120.000,-- hebben bedragen. Daarna had het wrak met een of twee bokken moeten worden geborgen; de kosten daarvan zouden minimaal € 750.000,-- hebben bedragen. Het ter plaatse laten komen van een bok kost gemiddeld al € 100.000,--. De hulp van [eiseres] heeft derhalve schade ten bedrage van minimaal € 1.430.000,-- voorkomen, nog afgezien van de voorkomen kosten van opruiming van olievervuiling en de voorkomen schade aan het milieu. 5.22. Volgens [gedaagde] is de uitslag van de hulpverlening door [eiseres] in zoverre gunstig dat het schip door die hulpverlening niet volledig is afgezonken. Voor het overige is het resultaat volgens [gedaagde] echter maar beperkt, omdat het schip een total loss was en moest worden gesloopt. Wat betreft de lading voert [gedaagde] het volgende aan. Industriezout bevat geen bederfelijke organische componenten. Wanneer de [schip 1] volledig was gezonken, zou de schade aan de lading dus vrijwel gelijk zijn geweest als in de situatie die zich uiteindelijk heeft voorgedaan. Bovendien had de gehele lading ook kunnen worden gered wanneer het schip volledig was gezonken. Er was namelijk zo goed als geen stroming in de voorhaven van de sluis en er zaten luiken over de laadruimte, zodat het zout niet snel uit het schip zou zijn gestroomd. 5.23. De rechtbank oordeelt dat de hulpverlening een gunstige uitslag heeft gehad, vooral omdat de lading behouden is en zeer substantiële bergingskosten zijn voorkomen. Dat - als de [schip 1] volledig zou zijn gezonken - hoge kosten zouden moeten zijn gemaakt vanwege concreet dreigende of ontstane olieverontreiniging en milieuschade is onvoldoende aannemelijk geworden. Dit is dus een positief meewegende factor maar in mindere mate dan door [eiseres] betoogd. (d) de aard en ernst van het gevaar 5.24. Volgens [eiseres] waren de aard en de ernst van het gevaar aanzienlijk. Er bestond een acute en reële dreiging van zinken en plooien, van totaal verlies van het schip en de lading, van milieuschade, en van hoge bergingskosten. 5.25. [gedaagde] ziet dit anders. Aanvankelijk was het gevaar acuut, maar op 16 juli 2024 omstreeks 22:00 uur was het geweken. Het gevaar van zinken keerde uiteindelijk terug door toedoen van [eiseres] . In de ochtend van 17 juli 2024 verschoof het reddingskleed voor het grote gat in de voormachinekamer van de [schip 1] namelijk vanwege het schroefwater van de [schip 3] , toen die boot van de voorzijde van de [schip 1] naar de achterzijde verhaalde. Daardoor kwam er direct veel meer water in de voormachinekamer van de [schip 1] . Mocht er al hulploon worden toegekend, dan geldt dit dus slechts voor de periode tot 16 juli 2024 22:00 uur. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met het feit dat als alternatief ook een kraanschip had kunnen worden ingehuurd om de lading te redden. Stel dat de twee touwen niet waren gespannen en het voorschip van de [schip 1] zou zijn gezonken en terechtgekomen op de bodem van de voorhaven. Het water was aldaar niet diep. Dan had een zwemkraan uit Rotterdam kunnen worden besteld die het schip dan omhoog had getild teneinde lossen mogelijk te maken. Zeker gelet op de ervaring met de hoeveelheid van 125 ton die ondanks volledige doordrenking nog bruikbaar was, zou ook dan met zekerheid drie kwart van de lading volledig kunnen worden gered. Er was namelijk zo goed als geen stroming in de voorhaven van de sluis en er zaten luiken over de laadruimte. Het zout zou dus niet snel uit de [schip 1] zijn gestroomd. 5.26. [eiseres] betwist dat het kleed door een fout van [eiseres] is verschoven. Zoals [eiseres] uitvoerig in haar akte ten behoeve van mondelinge behandeling uiteen heeft gezet en vervolgens niet voldoende gemotiveerd is betwist door [gedaagde] , was het verschuiven van het kleed een gevolg van afnemende hydraulische druk toen de lading uit de [schip 1] werd gehaald.
Volledig
Ter zitting heeft [eiseres] goed gemotiveerd toegelicht dat zij - en niet Hebo of duikers - uiteindelijk het gat heeft gedicht en dicht heeft gehouden met behulp van kleed en stempels. Dat is door [gedaagde] niet meer weersproken. 5.27. Gelet op het bovenstaande volgt de rechtbank [eiseres] in haar standpunt voor de [gedaagde] de aard en de ernst van het gevaar groot waren maar niet in haar standpunt dat dat ook gold voor de lading. Niettemin is dit een factor die duidelijk positief meeweegt. (e) de vakkundigheid en inspanningen betoond door de hulpverleners bij de redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens 5.28. [eiseres] wijst (in het bijzonder) op het halen van twee touwen onder het zinkende schip door de bemanning van de [schip 2] , hetgeen in haar visie - en volgens de rechtbank terecht - getuigt van durf, inzicht en vindingrijkheid in een situatie waar anderen geen oplossing aandroegen. 5.29. [gedaagde] ziet dit anders. De eerste maatregelen van de [schip 2] waren effectief. De touwen die onder de [schip 1] zijn doorgetrokken hebben het schip niet zelfstandig gelicht maar hooguit gestabiliseerd en verder afzinken voorkomen. Later ontstond juist door het handelen van [eiseres] hernieuwd gevaar. In de ochtend van 17 juli verschoof het reddingskleed voor het grote gat in de voormachinekamer van de [schip 1] namelijk vanwege het schroefwater van de [schip 3] (zie r.o. 5.26). Daardoor kwam er direct veel meer water in de voormachinekamer van de [schip 1] . Verder dient ook rekening te worden gehouden met het feit dat [eiseres] slechts één van de vele hulpverleners was. In het bijzonder Hebo en de duikers hebben voor het afdichten van de lekkage gezorgd. In de cruciale periode van de eerste lekkage werden bovendien de activiteiten gecoördineerd door Hebo. 5.30. Dat niet [eiseres] maar derden voor afdichting van de lekkage hebben gezorgd heeft [eiseres] op de zitting gemotiveerd weersproken zoals aangehaald in r.o. 5.27. 5.31. De rechtbank geeft op dit punt [eiseres] gelijk. Dat de [schip 1] niet is gezonken is te danken aan de vakkundige inspanningen van de bemanning van de [schip 2] die twee touwen onder de zinkende [schip 1] doorhaalden in een situatie die ook voor henzelf niet ongevaarlijk was. Dit weegt duidelijk positief uit op de hoogte van het hulploon. (f) de door de hulpverleners gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen 5.32. [eiseres] becijfert dat zij totaalbedrag van € 94.475,69 aan kosten heeft gemaakt. [eiseres] rekent 301,5 gewerkte uren, als volgt: “Er zijn drie schepen ( [schip 2] : 13 uur; [schip 3] : 77,5 uur; [schip 4] : 8 uur) ingezet, drie pompen (2*Grundfos AP12: 2*30,25 5 uur; Showfou 120 m3/uur: 13 uur) en 24 bemannings-/personeelsleden (totaal 301,5 uur).” Genoemd totaalbedrag van € 94.475,69 ziet verder op de (overige) kosten. [eiseres] stelt geen geleden verliezen. 5.33. [gedaagde] betwist een en ander. Daartoe voert zij het volgende aan. Er wordt een inzet van 301,5 manuren en drie schepen opgevoerd. Deze inzet van het aantal manuren wordt uitdrukkelijk betwist. [eiseres] stelt dat er 24 bemanningsleden en personeelsleden betrokken waren bij de hulpverlening. Deze inzeturen zijn in het geheel niet met stukken onderbouwd. [gedaagde] betwist dat er zoveel personen aan boord van de schepen waren. De schipper van de [schip 1] heeft slechts drie personen aan boord van de [schip 2] gezien. Tevens vordert [eiseres] kosten voor personeelsleden die zich op kantoor bevonden of die “stand by” waren. Deze kosten vallen niet onder hulpverlening en kunnen derhalve niet meegewogen worden bij de omvang van het hulploon. In dit verband vordert gedaagde inzage in de vaartijdenboeken, waaruit blijkt hoeveel bemanningsleden daadwerkelijk aan boord waren. Ook dient er rekening te worden gehouden met het feit dat het gevaar na het eerste afdichten van de lekkage was geweken en [eiseres] zelf de tweede lekkage heeft veroorzaakt. Daarbij wordt de noodzaak van de inzet van drie schepen betwist. De duiker is ingeschakeld door zowel [eiseres] als [naam 2] ; er is dus geen sprake van exclusieve actie of initiatief vanuit [eiseres] . 5.34. De rechtbank herhaalt dat niet is gebleken dat [eiseres] de tweede lekkage heeft veroorzaakt. Zij acht het aantal door [eiseres] genoemde uren, gelet op het gevoerde verweer, enigermate ruimhartig begroot. Dat neemt niet weg dat het voor een onderneming die zich mede richt op hulpverlening, zoals [eiseres] , passend is dat meer materieel en personeel paraat worden gehouden dan minimaal noodzakelijk, omdat aan hulpverleningssituaties als de onderhavige inherent is dat plotseling kan blijken dat extra mankracht en materieel nodig zijn. De rechtbank zal schattenderwijs uitgaan van kosten tussen € 70.000 en € 85.000. Zij acht het niet nodig of mogelijk om met meer precisie te bepalen hoeveel uren en kosten zijn besteed en minimaal moesten worden besteed. De bepaling van hulploon is meer een billijkheidsoordeel dan een exacte wetenschap. Deze kosten moeten dus meewegen bij het bepalen van het hulploon. (g) het risico van aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners of hun uitrusting gelopen risico’s 5.35. Volgens [eiseres] was dit risico aanzienlijk. De bemanning van de [schip 2] moest, om de touwen onder de [schip 1] door te kunnen trekken, op het onder water staande voordek van de [schip 1] gaan staan. Zo is op de door [eiseres] in het geding gebrachte foto’s te zien dat de stuurman van de [schip 2] tot zijn schouders in het water staat. Het risico op ongevallen met letsel als gevolg was daarbij reëel, waarvoor [eiseres] dan als werkgever aansprakelijk zou zijn geweest en mogelijk ook strafrechtelijk vervolgd had kunnen worden, aldus [eiseres] . 5.36. [gedaagde] ziet dit anders. Volgens haar was het de eigen keuze van de bemanning om op het voordek van de [schip 1] in het water te staan om de touwen onder het voordek door te trekken, met gevaar van letselschade. De touwen hadden namelijk ook met een bijboot (roeiboot) van de [schip 3] of de [schip 1] onder het voorschip doorgetrokken kunnen worden. Dat zou voor de bemanningsleden minder gevaarlijk zijn geweest dan zich op het voordek van de [schip 1] te begeven. 5.37. [eiseres] heeft dit betwist. Volgens haar moesten de touwen geduwd worden met een pikhaak en had dat niet met een roeiboot gekund, omdat er een brandweerboot langszij het voorschip van de [schip 1] lag afgemeerd met touwen. Met een roeiboot kon men daar niet tussen zodat daarmee de touwen niet onder de kiel van de [schip 1] konden worden doorgehaald. Met een pikhaak kon dat wel, want die pikhaak kon onder de afmeertouwen van de brandweerboot worden geduwd. Dat maakte de onderneming extra riskant vanwege het risico tussen de beide schepen te vallen, aldus [eiseres] . 5.38. Deze - de rechtbank overtuigende - uitleg heeft [gedaagde] niet gemotiveerd weersproken. Dat de bemanning van de [schip 2] met gevaar voor hun eigen veiligheid de [schip 1] voor zinken hebben behoed, welk gevaar niet goed te vermijden was, werkt duidelijk positief mee op de hoogte van het hulploon. (h) de snelheid van de verleende diensten 5.39. Volgens [eiseres] is de hulp niet alleen snel maar ook vakkundig verleend en was deze ook doeltreffend. 5.40. [gedaagde] ziet dit enigszins anders. De [schip 2] is weliswaar snel begonnen met het verlenen van hulp – nadat zij als tweede ter plaatse was gekomen – maar er is later vertraging ontstaan, omdat de tijdelijke afdichting losgeslagen is door het schroefwater van de [eiseres] . 5.41. Het gaat bij dit criterium om de snelheid waarmee de hulpverlener ter plaatse was na het incident. Dat was (ongeveer) 35 minuten. Nadat de bemanning van de [schip 2] om 9:55 uur een oproep van de sluis Weurt aan de [schip 5] had gehoord en van de [schip 5] had begrepen dat deze niet over de juiste spullen beschikte om de [schip 1] te assisteren, is de [schip 2] meteen in actie gekomen. De [schip 2] is dus binnen bekwame tijd met hulpverlening begonnen. Dit is een positief uitwerkende factor.
Volledig
Ter zitting heeft [eiseres] goed gemotiveerd toegelicht dat zij - en niet Hebo of duikers - uiteindelijk het gat heeft gedicht en dicht heeft gehouden met behulp van kleed en stempels. Dat is door [gedaagde] niet meer weersproken. 5.27. Gelet op het bovenstaande volgt de rechtbank [eiseres] in haar standpunt voor de [gedaagde] de aard en de ernst van het gevaar groot waren maar niet in haar standpunt dat dat ook gold voor de lading. Niettemin is dit een factor die duidelijk positief meeweegt. (e) de vakkundigheid en inspanningen betoond door de hulpverleners bij de redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens 5.28. [eiseres] wijst (in het bijzonder) op het halen van twee touwen onder het zinkende schip door de bemanning van de [schip 2] , hetgeen in haar visie - en volgens de rechtbank terecht - getuigt van durf, inzicht en vindingrijkheid in een situatie waar anderen geen oplossing aandroegen. 5.29. [gedaagde] ziet dit anders. De eerste maatregelen van de [schip 2] waren effectief. De touwen die onder de [schip 1] zijn doorgetrokken hebben het schip niet zelfstandig gelicht maar hooguit gestabiliseerd en verder afzinken voorkomen. Later ontstond juist door het handelen van [eiseres] hernieuwd gevaar. In de ochtend van 17 juli verschoof het reddingskleed voor het grote gat in de voormachinekamer van de [schip 1] namelijk vanwege het schroefwater van de [schip 3] (zie r.o. 5.26). Daardoor kwam er direct veel meer water in de voormachinekamer van de [schip 1] . Verder dient ook rekening te worden gehouden met het feit dat [eiseres] slechts één van de vele hulpverleners was. In het bijzonder Hebo en de duikers hebben voor het afdichten van de lekkage gezorgd. In de cruciale periode van de eerste lekkage werden bovendien de activiteiten gecoördineerd door Hebo. 5.30. Dat niet [eiseres] maar derden voor afdichting van de lekkage hebben gezorgd heeft [eiseres] op de zitting gemotiveerd weersproken zoals aangehaald in r.o. 5.27. 5.31. De rechtbank geeft op dit punt [eiseres] gelijk. Dat de [schip 1] niet is gezonken is te danken aan de vakkundige inspanningen van de bemanning van de [schip 2] die twee touwen onder de zinkende [schip 1] doorhaalden in een situatie die ook voor henzelf niet ongevaarlijk was. Dit weegt duidelijk positief uit op de hoogte van het hulploon. (f) de door de hulpverleners gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen 5.32. [eiseres] becijfert dat zij totaalbedrag van € 94.475,69 aan kosten heeft gemaakt. [eiseres] rekent 301,5 gewerkte uren, als volgt: “Er zijn drie schepen ( [schip 2] : 13 uur; [schip 3] : 77,5 uur; [schip 4] : 8 uur) ingezet, drie pompen (2*Grundfos AP12: 2*30,25 5 uur; Showfou 120 m3/uur: 13 uur) en 24 bemannings-/personeelsleden (totaal 301,5 uur).” Genoemd totaalbedrag van € 94.475,69 ziet verder op de (overige) kosten. [eiseres] stelt geen geleden verliezen. 5.33. [gedaagde] betwist een en ander. Daartoe voert zij het volgende aan. Er wordt een inzet van 301,5 manuren en drie schepen opgevoerd. Deze inzet van het aantal manuren wordt uitdrukkelijk betwist. [eiseres] stelt dat er 24 bemanningsleden en personeelsleden betrokken waren bij de hulpverlening. Deze inzeturen zijn in het geheel niet met stukken onderbouwd. [gedaagde] betwist dat er zoveel personen aan boord van de schepen waren. De schipper van de [schip 1] heeft slechts drie personen aan boord van de [schip 2] gezien. Tevens vordert [eiseres] kosten voor personeelsleden die zich op kantoor bevonden of die “stand by” waren. Deze kosten vallen niet onder hulpverlening en kunnen derhalve niet meegewogen worden bij de omvang van het hulploon. In dit verband vordert gedaagde inzage in de vaartijdenboeken, waaruit blijkt hoeveel bemanningsleden daadwerkelijk aan boord waren. Ook dient er rekening te worden gehouden met het feit dat het gevaar na het eerste afdichten van de lekkage was geweken en [eiseres] zelf de tweede lekkage heeft veroorzaakt. Daarbij wordt de noodzaak van de inzet van drie schepen betwist. De duiker is ingeschakeld door zowel [eiseres] als [naam 2] ; er is dus geen sprake van exclusieve actie of initiatief vanuit [eiseres] . 5.34. De rechtbank herhaalt dat niet is gebleken dat [eiseres] de tweede lekkage heeft veroorzaakt. Zij acht het aantal door [eiseres] genoemde uren, gelet op het gevoerde verweer, enigermate ruimhartig begroot. Dat neemt niet weg dat het voor een onderneming die zich mede richt op hulpverlening, zoals [eiseres] , passend is dat meer materieel en personeel paraat worden gehouden dan minimaal noodzakelijk, omdat aan hulpverleningssituaties als de onderhavige inherent is dat plotseling kan blijken dat extra mankracht en materieel nodig zijn. De rechtbank zal schattenderwijs uitgaan van kosten tussen € 70.000 en € 85.000. Zij acht het niet nodig of mogelijk om met meer precisie te bepalen hoeveel uren en kosten zijn besteed en minimaal moesten worden besteed. De bepaling van hulploon is meer een billijkheidsoordeel dan een exacte wetenschap. Deze kosten moeten dus meewegen bij het bepalen van het hulploon. (g) het risico van aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners of hun uitrusting gelopen risico’s 5.35. Volgens [eiseres] was dit risico aanzienlijk. De bemanning van de [schip 2] moest, om de touwen onder de [schip 1] door te kunnen trekken, op het onder water staande voordek van de [schip 1] gaan staan. Zo is op de door [eiseres] in het geding gebrachte foto’s te zien dat de stuurman van de [schip 2] tot zijn schouders in het water staat. Het risico op ongevallen met letsel als gevolg was daarbij reëel, waarvoor [eiseres] dan als werkgever aansprakelijk zou zijn geweest en mogelijk ook strafrechtelijk vervolgd had kunnen worden, aldus [eiseres] . 5.36. [gedaagde] ziet dit anders. Volgens haar was het de eigen keuze van de bemanning om op het voordek van de [schip 1] in het water te staan om de touwen onder het voordek door te trekken, met gevaar van letselschade. De touwen hadden namelijk ook met een bijboot (roeiboot) van de [schip 3] of de [schip 1] onder het voorschip doorgetrokken kunnen worden. Dat zou voor de bemanningsleden minder gevaarlijk zijn geweest dan zich op het voordek van de [schip 1] te begeven. 5.37. [eiseres] heeft dit betwist. Volgens haar moesten de touwen geduwd worden met een pikhaak en had dat niet met een roeiboot gekund, omdat er een brandweerboot langszij het voorschip van de [schip 1] lag afgemeerd met touwen. Met een roeiboot kon men daar niet tussen zodat daarmee de touwen niet onder de kiel van de [schip 1] konden worden doorgehaald. Met een pikhaak kon dat wel, want die pikhaak kon onder de afmeertouwen van de brandweerboot worden geduwd. Dat maakte de onderneming extra riskant vanwege het risico tussen de beide schepen te vallen, aldus [eiseres] . 5.38. Deze - de rechtbank overtuigende - uitleg heeft [gedaagde] niet gemotiveerd weersproken. Dat de bemanning van de [schip 2] met gevaar voor hun eigen veiligheid de [schip 1] voor zinken hebben behoed, welk gevaar niet goed te vermijden was, werkt duidelijk positief mee op de hoogte van het hulploon. (h) de snelheid van de verleende diensten 5.39. Volgens [eiseres] is de hulp niet alleen snel maar ook vakkundig verleend en was deze ook doeltreffend. 5.40. [gedaagde] ziet dit enigszins anders. De [schip 2] is weliswaar snel begonnen met het verlenen van hulp – nadat zij als tweede ter plaatse was gekomen – maar er is later vertraging ontstaan, omdat de tijdelijke afdichting losgeslagen is door het schroefwater van de [eiseres] . 5.41. Het gaat bij dit criterium om de snelheid waarmee de hulpverlener ter plaatse was na het incident. Dat was (ongeveer) 35 minuten. Nadat de bemanning van de [schip 2] om 9:55 uur een oproep van de sluis Weurt aan de [schip 5] had gehoord en van de [schip 5] had begrepen dat deze niet over de juiste spullen beschikte om de [schip 1] te assisteren, is de [schip 2] meteen in actie gekomen. De [schip 2] is dus binnen bekwame tijd met hulpverlening begonnen. Dit is een positief uitwerkende factor.