Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2022-04-08
ECLI:NL:RBROT:2022:3365
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,079 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 9220839 / CV EXPL 21-17163
uitspraak: 8 april 2022
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende in Rotterdam,
in de zaak van
[eiseres]
(hierna: [eiseres] ),
wonende in [woonplaats eiseres] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. B.F. Desloover te Rotterdam,
tegen
1. [gedaagde 1] (hierna: [gedaagde 1] ),
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde sub 1,
gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi te ’s-Gravenhage,
en
2. [gedaagde 2] (hierna: [gedaagde 2] ),
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde sub 2,
gemachtigde: mr. S. Kranendonk te Dordrecht.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden hierna gezamenlijk ‘ [gedaagde 1] c.s.’ genoemd.
1.Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
het tussenvonnis van 22 oktober 2021 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
de akte aan de zijde van [eiseres] ;
het proces-verbaal van het op 17 januari 2022 aan de zijde van [eiseres] gehouden getuigenverhoor;
de conclusie na enquête aan de zijde van [eiseres] ;
de conclusie na enquête aan de zijde van [gedaagde 1] ;
de conclusie na enquête aan de zijde van [gedaagde 2] .
1.2.
De kantonrechter heeft bepaald dat dit vonnis vandaag wordt uitgesproken.
2.De verdere beoordeling
2.1.
De kantonrechter blijft bij en neemt over hetgeen in het tussenvonnis van 22 oktober 2021 is overwogen en beslist.
2.2.
[eiseres] is toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [naam persoon 1] op 22 november 2019 op het schoolplein van basisschool De Tweemaster een (voet)bal tegen de neus van [eiseres] heeft geschopt, terwijl het spel stil lag.
2.3.
Ter uitvoering van haar bewijsopdracht heeft [eiseres] drie getuigen laten horen: mevrouw [naam persoon 2] (hierna: [naam persoon 2] ), mevrouw [naam persoon 3] (hierna: [naam persoon 3] ) en [eiseres] zelf.
2.3.1.
[naam persoon 2] heeft - voor zover van belang - het volgende verklaard:
“Ik bevestig dat ik overblijfmoeder ben op de school De Tweemaster. Dat was ik ook op 22-11-2019. Ik deed dat samen met [eiseres] . Ik had dienst tijdens de pauze. (…) In totaal waren er 6 kinderen met een bal aan het spelen waaronder [naam persoon 1] . (…) Toen het spel stil lag, omdat wij dat van de jongens hadden gevraagd en [eiseres] de veter aan het strikken was van [naam persoon 4] werd er een bal geschopt door [naam persoon 1] tegen [eiseres] aan in haar gezicht. Ik heb dat gezien. (…) In de eerste instantie waren de jongens zelf gestopt. Toen de veter gestrikt werd hebben mevrouw [eiseres] en ik tegen de jongens twee tot drie keer gezegd dat ze moesten stoppen. (…) Ik stond op ongeveer 1,5 meter afstand van mevrouw [eiseres] af. Ik stond samen met haar naar de kinderen te kijken en op te passen. (…)”.
2.3.2.
[naam persoon 3] heeft - voor zover van belang - het volgende verklaard:
“(…) Ik ben bekend met een incident dat zich heeft voorgedaan op 22-11-2019. Het gaat om het feit dat [eiseres] een bal op haar neus heeft gekregen. Ik voeg daar aan toe dat [eiseres] op dat moment overblijfkracht was op het schoolplein. Ik meen dat onder andere een mevrouw met de naam [naam persoon 5] op dat moment ook overblijfkracht was. (…) Ik heb het incident zelf niet gezien. (…)”.
2.3.3.
[eiseres] heeft - voor zover van belang - het volgende verklaard:
“Ik bevestig dat ik overblijfmoeder ben op de school De Tweemaster. Dat was ik ook op 22-11-2019. Tijdens de middag pauze had ik als taak om, samen met mevrouw [naam persoon 2] op de kinderen te letten die op het schoolplein aanwezig waren en al dan niet aan het spelen waren. Op enig moment was er een jongetje met een losse schoenveter. Hij heet [naam persoon 4] . Hij was aan het voetballen samen met andere jongens van groep 5, waaronder [naam persoon 1] , [naam persoon 6] en [naam persoon 7] . Ik heb daarop het spel stilgelegd door te zeggen tegen de andere jongens dat ze even moesten wachten, omdat ik de veter van de schoen van [naam persoon 4] moest vast strikken. De andere jongens stonden min of meer in een kringetje te wachten tot de veter gestrikt was. Nadat ik klaar was en weer overeind wilde komen kreeg ik een bal in mijn gezicht. Daarop hoorde ik mevrouw [naam persoon 2] roepen: [naam persoon 1] wat heb je gedaan? Ik hoorde ook andere jongens soortgelijke bewoordingen gebruiken. Ik heb zelf niet gezien dat [naam persoon 1] de bal heeft geschopt. (…) Mevrouw [naam persoon 2] stond ten tijde van het voorval op een afstand van 4-5 meter van mij af. (…) Het waren ongeveer 5-6 jongens bij elkaar.
2.4.
De verklaring van [naam persoon 3] kan niet aan het door [eiseres] te leveren bewijs bijdragen, omdat zij het incident - naar eigen zeggen - niet heeft gezien. Dit betekent dat het aankomt op de verklaringen van [naam persoon 2] en [eiseres] .
2.5.
Naar het oordeel van de kantonrechter staat op grond van deze verklaringen voldoende vast dat het de zoon van [gedaagde 1] c.s., [naam persoon 1] , is die de bal heeft geschopt. [naam persoon 2] heeft immers onomwonden verklaard dat zij zag dat [naam persoon 1] de bal (tegen het gezicht van [eiseres] ) schopte. De kantonrechter volgt [gedaagde 1] niet in zijn stelling dat de verklaring van [naam persoon 2] niet objectief en onpartijdig zou zijn, omdat zij een vriendin van [eiseres] is. Dit kan immers niet zonder meer tot de conclusie leiden dat [naam persoon 2] enkel daarom een valselijke verklaring zou hebben afgelegd. Feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat [naam persoon 2] niet objectief of onpartijdig zou zijn, zijn verder niet gesteld of gebleken.
2.6.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, betreft of [naam persoon 1] al dan niet onrechtmatig heeft gehandeld door de bal (tegen het gezicht van [eiseres] ) te schoppen. In dit verband wordt als volgt overwogen.
2.6.1.
Op grond van artikel 6:162 lid 2 BW worden als onrechtmatige daad aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, één en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
2.6.2.
In sport- en spelsituaties gelden tussen deelnemers onderling zwaardere eisen voor het aannemen van onrechtmatigheid, omdat deelnemers aan een sport of spel tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar hebben te verwachten (zie Hoge Raad 19 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1456). Van een dergelijke situatie is - anders dan [gedaagde 2] heeft bepleit - echter geen sprake, nu niet is gesteld of gebleken dat [eiseres] deelnam aan het voetballen op het schoolplein.
Dictum
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak:
aan de zijde van [gedaagde 1] begroot op € 763,00 aan salaris voor zijn gemachtigde; en
aan de zijde van [gedaagde 2] begroot op € 763,00 aan salaris voor haar gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en uitgesproken op een openbare terechtzitting.
38671