Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-12-19
ECLI:NL:RBOBR:2024:6449
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,784 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.127122.22 (ontneming)
Datum uitspraak: 19 december 2024
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1984] ,
wonende te [adres] ,
hierna: “de veroordeelde”.
Onderzoek van de zaak:
De vordering van de officieren van justitie van 20 november 2023 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 36.295,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officieren van justitie hebben bij conclusie van eis van 13 september 2024 de vordering gewijzigd in die zin dat een bedrag van € 181.475,00 wordt gevorderd.
De verdediging heeft daarop bij conclusie van antwoord van 28 oktober 2024 gereageerd.
De officieren van justitie hebben ter terechtzitting van 21 november 2024 bij requisitoir de vordering gewijzigd in die zin dat nu een bedrag van € 154.936,00 wordt gevorderd.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 december 2023 en 21 november 2024.
Beoordeling
Het standpunt van de officieren van justitie.
De officieren van justitie hebben ter terechtzitting van 21 november 2024 bij requisitoir de vordering gewijzigd in die zin dat nu een bedrag van € 154.936,00 wordt gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft ter terechtzitting van 21 november 2024 de gronden zoals vermeld in de conclusie van antwoord van 22 oktober 2024 herhaald.
Primair heeft de verdediging betoogd dat het bedrag van € 20.710,00 (€ 14.830,00 +
€ 5.880,00) niet kan worden meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, vanwege de rechtsregels uit het Geerings-arrest. Volgens de verdediging resteren dan twee betalingen: die van 4 april 2020 (€ 540,00) en 15 april 2020 (€ 812,20). In totaal € 1.352,20. De verdediging gaat uit van een bruto voordeel van € 1.352,20.
Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat – indien de rechtbank de officieren van justitie volgt dat extrapoleren mogelijk is – uitgegaan dient te worden van de volgende berekening. Het gemiddelde van de bedragen over 4 en 15 april 2020 is € 676,10 (1.352,20 / 2). Uit de inhoud van het Excelbestand met de peilbakengegevens, blijkt dat op de data 6 december 2020, 16 januari 2020 en 24 maart 2020 geen stop is geweest. Er staat namelijk geen ‘stop’ achter de datum, maar juist 'move'. Om deze reden kan niet uitgesloten worden dat vermoedelijk [persoon 1] (of iemand anders) alleen door de Heggestraat is gereden. Dan zouden er mogelijk in totaal zeventien betalingen overblijven. Indien er geëxtrapoleerd zou kunnen worden, dan geeft dit over zeventien betalingen de navolgende berekening: € 11.493,70 bruto (17 x € 676,10).
Beoordeling
De vordering is tijdig ingediend.
De rechtbank heeft in de strafzaak bewezen verklaard dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.
Hierna wordt verwezen naar processen-verbaal uit het dossier van de strafzaak (hierna: het dossier). In de zaak van de veroordeelde is geen rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel opgesteld.
De veroordeelde is veroordeeld voor onder meer het verkopen en afleveren van ongeveer 1.200 hennepstekken en ongeveer 360 hennepstekken.
Voordeel uit strafbare feiten waarvoor veroordeelde is veroordeeld
1.200 hennepstekken.
De rechtbank heeft bij vonnis van 23 juli 2024 overwogen dat de veroordeelde met betrekking tot de 1.200 hennepstekken een bedrag van € 4.500,00 betaald heeft gekregen van [persoon 2] . Voor de berekening van het netto verkregen voordeel heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij berichten omtrent een andere (latere) partij van 1.200 hennepstekken.
Uit een gesprek van 15 april 2020 tussen [persoon 2] en [verdachte] blijkt dat 1200 stekken ‘4500’ (rechtbank: € 4.500,00) hebben opgeleverd en dat daarvan ‘2250’ (rechtbank: € 2.250,00) voor ‘venlo’ en ‘1000’ (rechtbank: € 1.000,00) voor ‘yooo’ is. Er blijft dan ‘1250’ (rechtbank: € 1.250,00) over voor de veroordeelde en [persoon 2] , wat neerkomt op ‘625’ (rechtbank: € 625,00) ‘de man’. Oftewel, de veroordeelde heeft aan die latere partij van 1.200 hennepstekken een bedrag van € 625,00 verdiend. De rechtbank acht het aannemelijk dat de veroordeelde eenzelfde bedrag heeft verdiend aan de bewezenverklaarde verkoop en levering van 1200 hennepstekken.
360 hennepstekken.
Uit berichten van 15 april 2020 leidt de rechtbank af dat [persoon 2] via [persoon 1] € 1.620,00 (€ 8645,00 - € 7.025,00) heeft laten afgeven aan veroordeelde voor bewezenverklaarde verkoop en levering van 360 hennepstekken. In het voordeel van veroordeelde gaat de rechtbank ervan uit dat dit een brutobedrag is.
Zoals hiervoor overwogen, blijkt dat de veroordeelde met betrekking tot de verkoop en levering van 1.200 hennepstekken een bedrag overhield van € 625,00 netto. Dat is ongeveer € 0,52 per hennepstek (€ 625,00 / 1.200 hennepstekken). De rechtbank acht het op basis daarvan aannemelijk dat de veroordeelde aan het bewezenverklaarde verkopen en afleveren van 360 hennepstekken een bedrag van € 187,50 (€ 625,00 / 1200 x 360) heeft verdiend.
Uit de bewezenverklaarde strafbare feiten heeft veroordeelde dus een voordeel genoten van € 812,50 (€ 625,00 + € 187,50).
Voordeel uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat die door veroordeelde zijn begaan
Geen beletsel voor ontneming van voordeel uit andere strafbare feiten
Naar het oordeel van de rechtbank staat het Geerings-arrest er niet aan in de weg om de hierna genoemde bedragen te ontnemen. De rechtbank heeft de veroordeelde bij vonnis van 23 juli 2024 uitsluitend vrijgesproken van het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verstrekken, vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van specifiek een grote hoeveelheid van ongeveer 1200 hennepstekken en ongeveer 360 hennepstekken. Anders dan de verdediging stelt, heeft de rechtbank de veroordeelde niet vrijgesproken van alle handelingen die in de tenlastegelegde periode zouden hebben plaatsgevonden ten aanzien van andere hoeveelheden verdovende middelen. Handelingen, zoals bijvoorbeeld het regelen van knippers, zijn niet ten laste gelegd en daar is dus ook geen vrijspraak op gevolgd. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Het regelen van knippers ten behoeve van 195,2 kilogram hennep.
Bij vonnis van 23 juli 2024 heeft de rechtbank ook overwogen dat uit het dossier blijkt dat de veroordeelde knippers regelde; onder meer voor de kweek van 195,2 kilogram hennep van medeveroordeelde [medeverdachte] in april 2020. Dit is beschreven in proces-verbaal AMB-133, paragraaf 3.3. Uit de in dat proces-verbaal opgenomen chatberichten volgt dat de veroordeelde in de vroege ochtend van 8 april 2020 aan [persoon 2] liet weten dat de knipwerkzaamheden waren afgerond. Een paar uur later gaf [persoon 2] de opdracht aan [persoon 1] om ‘5880’ (rechtbank: € 5.880,00) in de brievenbus van ‘ [alias verdachte] ’ (rechtbank: een bijnaam van de veroordeelde) te doen. De rechtbank acht op basis van voorgaande aannemelijk dat de veroordeelde € 5.880,00 heeft gekregen voor het regelen van knippers, althans zijn bemoeienis met de oogst van 195,2 kilogram hennep.
Concrete betalingen die verband houden met de hennephandel
Uit het vonnis in de strafzaak en de bewijsmiddelen ten aanzien van de bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie volgt dat veroordeelde betalingen van [persoon 2] ontving voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de illegale hennephandel. [persoon 1] was degene die het geld afgaf bij de woning van veroordeelde aan de [adres] . Gezien deze gang van zaken acht de rechtbank aannemelijk dat de volgende concrete betalingen moeten worden beschouwd als voordeel uit andere strafbare feiten die door veroordeelde zijn begaan.
Betaling van 31 maart 2020.
Op 30 maart 2020 vraagt [persoon 2] aan [persoon 1] of [persoon 1] morgen rond 930 uur (rechtbank: 09:30 uur) € 2.440,00 in de bus van [alias verdachte] (rechtbank: de veroordeelde) wil duwen. Volgens de peilbakengegevens is de auto van [persoon 1] op 31 maart 2020 omstreeks 09.33 uur bij de [adres] , waar veroordeelde woont.
Betaling van 15 april 2020.
Uit berichten van 15 april 2020 volgt dat [persoon 1] van [persoon 2] ‘8645’ (rechtbank: € 8.645,00) moet afgeven bij de veroordeelde. Dit bedrag is kennelijk de optelsom van vier bedragen: € 625,00, € 1.000,00, € 5.400,00 en € 1.620. [persoon 2] geeft deze opdracht om 14:50 uur. Volgens de peilbakengegevens is de auto van [persoon 1] vervolgens omstreeks 15.30 uur bij de [adres] , waar veroordeelde woont.
De rechtbank acht aannemelijk dat het bedrag van € 625,00 de netto opbrengst is van de verkoop en levering van 1200 hennepstekken, niet zijnde de verkoop en levering die bewezen is verklaard (het voordeel uit de bewezenverklaarde verkoop en levering is hiervoor al besproken). Dit volgt rechtstreeks uit de chatberichten. Het kan naar het oordeel van de rechtbank voorts niet anders dan dat de bedragen € 1.000,00 en € 5.400,00 eveneens betrekking hebben op werkzaamheden ten behoeve van de hennephandel. Dat er kosten in aftrek moeten worden genomen met betrekking tot deze bedragen, is niet gebleken. Het bedrag van € 1.620,00 heeft betrekking op de bewezen verklaarde verkoop en levering van 360 hennepstekken. Het netto voordeel dat verdachte daaruit heeft genoten, is hiervoor al berekend. De rechtbank zal dit bedrag daarom nu buiten beschouwing laten. Kortom, de rechtbank rekent een bedrag van € 7.025,00 (€8.645,00 – €1.620,00) aan wederrechtelijk verkregen voordeel toe aan veroordeelde.
Betaling van 10 juni 2020
.
Uit berichten van 10 juni 2020 volgt dat [persoon 1] in opdracht [persoon 2] die dag om 16.00 uur ‘14830’ (rechtbank: € 14.830,00) moet afgeven bij de veroordeelde.