Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-16
ECLI:NL:GHSHE:2025:1175
Strafrecht
Hoger beroep
9,430 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001115-23
Uitspraak : 16 januari 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 5 april 2023 op de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-993224-13 OWV tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 234.646,65 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor een bedrag van € 229.646,65.
Daarnaast heeft de rechtbank de duur van de gijzeling – die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd – vastgesteld op 540 dagen.
Namens de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op een bedrag van € 1.107.013,95 en aan de betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat zal opleggen voor een bedrag van € 1.102.013,95.
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof de ontnemingsvordering zal afwijzen. Subsidiair zijn verweren gevoerd betreffende de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de omvang van de betalingsverplichting. Tevens heeft de raadsman het voorwaardelijke verzoek gedaan om de personen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] als getuigen te (doen) horen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof zal het beroepen vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen omdat het tot een andere geschatte omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt. Dit laat onverlet dat het hof zich in grote mate kan verenigen met de bewijsconstructie en de overwegingen van de rechtbank daaromtrent, zodat het hof het vonnis van de rechtbank tot uitgangspunt zal nemen. Voor zover de verweren van de verdediging in hoger beroep niet zijn herhaald, sluit het hof aan bij de overwegingen van de rechtbank daaromtrent.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 28 januari 2019 (parketnummer 20-001660-17) terzake van – waar nodig samengevat weergegeven – de volgende feiten:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd (feit 1),
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod (feit 2),
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, derde lid van de Opiumwet
en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (feit 4),
- van het plegen van witwassen een gewoonte makenen medeplegen van witwassen enmedeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken (feit 5),
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest. Bij arrest van 21 september 2021 heeft de Hoge Raad – kort gezegd – de bewezenverklaring van het hof in stand is gelaten en aan betrokkene een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 8 jaren en 5 maanden.
Wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van vorenbedoelde bewijsmiddelen het oordeel dat betrokkene door middel van of uit de baten van het onder feit 4 bewezenverklaarde, te weten – kort gezegd – deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van Opiumwet misdrijven en andere misdrijven, in de periode van 15 augustus 2012 tot en met 23 september 2014, voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, heeft verkregen.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op het bedrag van € 1.107.013,95. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat het hof in de hoofdzaak ten laste van betrokkene heeft bewezenverklaard dat hij in de periode van 15 augustus 2012 tot en met 23 september 2014 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die – kort gezegd – tot doel had het plegen van misdrijven, waaronder misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Gedurende die bewezenverklaarde periode hebben er geld- en drugstransporten plaatsgevonden, heeft de criminele organisatie omzet gegenereerd en heeft betrokkene daaruit wederrechtelijk voordeel genoten. Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient derhalve te worden aangesloten bij de gehele bewezenverklaarde periode. De stelling van de verdediging, inhoudende dat betrokkene in de periode voorafgaande aan 20 januari 2014 geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, vindt geen steun in het ontnemingsrapport noch het dossier, aldus de advocaat-generaal.
Verweren verdediging
De raadsman van de betrokkene heeft – samengevat, en op de gronden zoals nader verwoord in de pleitnota – primair bepleit dat het hof de ontnemingsvordering zal afwijzen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het ontnemingsrapport onvoldoende betrouwbaar, onvolledig en onjuist is, zodat het ontnemingsrapport niet ten grondslag gelegd mag worden aan de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In dit verband heeft de raadsman zich evenwel – en bij wijze van subsidiair standpunt – geschaard achter het oordeel van de rechtbank dat het ontnemingsrapport noch het dossier enige aanwijzing bevat dat er in de periode voor 20 januari 2014 sprake is geweest van betrokkenheid van betrokkene bij strafbare feiten waaruit hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de geldtransporten niet kunnen worden aangemerkt als opbrengsten van of winsten uit de drugshandel van de criminele organisatie, zodat de geldtransporten niet als wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden beschouwd. In dit verband heeft de raadsman nog aangevoerd dat de enkele deelname aan de criminele organisatie niet zonder meer betekent dat betrokkene daaruit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, zonder dat diens rol bij de afzonderlijke strafbare feiten is vastgesteld.
Beoordeling
In onderzoek “Gutenberg” is niet duidelijk geworden hoe hoog de kosten zijn geweest. In
het financieel rapport wordt gezien de grootschaligheid van de criminele organisatie en het
feit dat de verdovende middelen werden geëxporteerd, bij de berekening van het
wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van een winstpercentage van tenminste 50%.
Dit percentage wordt in vaste jurisprudentie ook als minimumpositie aangenomen.
Veroordeelde heeft niets over de kosten willen verklaren waardoor op geen enkele wijze
aannemelijk is gemaakt dat de kosten hoger waren dan berekend.
Het verweer van de verdediging dat een hoger bedrag aan kosten in mindering dient te
worden gebracht op de opbrengst wordt derhalve verworpen.
In het financieel rapport is een verdeling van het berekende voordeel toegepast tussen
veroordeelde (30%) en medeveroordeelde (70%).
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft aangevoerd dat aan veroordeelde niet een percentage van 30% van de
opbrengst is toegekomen. Zulks zou blijken uit de beperkte rol van veroordeelde binnen de
criminele organisatie en ook het uitgavenpatroon van veroordeelde zou daar niet op wijzen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie stelt dat veroordeelde aan de hand van de kasopstelling in het
financieel rapport veel meer contant heeft uitgegeven dat hij legaal contant uit had kunnen
geven. Daarbij geldt nog dat geen volledig zicht is verkregen op alle contante uitgaven die
zijn gedaan. De in het financieel rapport gehanteerde verdeelsleutel is voldoende
onderbouwd.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de verdediging dat voor de verdeling een
ander percentage dient te worden gehanteerd dient te worden verworpen bij gebrek aan
voldoende dragende gronden en veroordeelde zich niet heeft uitgelaten over (de hoogte van)
enig door hem wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet op de uit de bewijsmiddelen
blijkende rol van veroordeelde bij de drugs- en geldtransporten in de periode die hiervoor
door de rechtbank voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot
uitgangspunt is genomen, acht de rechtbank de in het financieel rapport toegepaste verdeling tussen veroordeelde en medeveroordeelde [medeverdachte 1] aannemelijk.
In aanvulling op het bovenstaande merkt het hof op dat de in hoger beroep overgelegde verklaring van de zijde van betrokkene niet wordt gevolgd. Hetgeen in de verklaring omtrent kosten en/of de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel naar voren is gebracht, brengt het hof derhalve niet tot een ander oordeel.
Berekening
Uit het onderzoek is gebleken dat in de periode van 20 januari 2014 tot en met 4 juli 2014 zeventien (17) geldtransacties in verband met de drugstransporten hebben plaatsgevonden. Het gemiddelde bedrag van de geldtransacties per drugstransport bedroeg € 92.025,00.
De omzet van zeventien (17) geldtransporten wordt dan berekend op (17 x € 92.025,00) € 1.564.425,00. De gemiddelde omzet per dag in de periode van 20 januari 2014 tot en met 4 juli 2014 wordt vastgesteld op € 9.597,00.
Toegepast op de door het hof vastgestelde periode waarover het wederrechtelijk voordeel moet worden berekend, komt het hof tot de volgende berekening.
De periode van 11 oktober 2013 tot en met 4 juli 2014 bedraagt 267 dagen.
267 x € 9.597,00 = € 2.562.399,00
Minus kosten ad 50 % € 1.281.199,50
------------------------------------------------------------
= € 1.281.199,50
Toerekening 30% = € 384.359,85
Voorwaardelijk verzoek tot het horen van personen als getuigen
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het voorwaardelijke verzoek gedaan om, mocht het hof afwijken van de standpunten van de verdediging en het wederrechtelijk voordeel berekenen op basis van extrapolatie, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] als getuigen te (doen) horen. Voor de onderbouwing van het verzoek heeft de raadsman verwezen naar diens conclusie van antwoord in eerste aanleg.
Gelet op de – inmiddels onherroepelijke – vaststellingen van het hof in de strafzaak en gelet op hetgeen het hof hierboven heeft overwogen ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en in aanmerking genomen dat door de verdediging in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht zijn die tot het horen van deze personen als getuigen noodzaken, acht het hof het horen van voormelde personen als getuigen niet noodzakelijk, zodat het hof het verzoek afwijst.
Op te leggen betalingsverplichting
De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM) het recht van iedere betrokkene is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de jegens hem aanhangig gemaakte ontnemingsvordering wordt beslist.
De redelijke termijn in eerste aanleg is in de onderhavige zaak aangevangen met het aanhangig maken van de ontnemingsvordering op 11 april 2019. De redelijke termijn in eerste aanleg is geëindigd met het vonnis van de rechtbank d.d. 5 april 2023. De redelijke termijn in eerste aanleg is daarom overschreden met bijna 24 maanden.
Het hof stelt vast dat in hoger beroep geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.
Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg kunnen rechtvaardigen is het hof niet gebleken. Gelet op deze overschrijding zal het hof de op te leggen betalingsverplichting matigen met een bedrag van € 5.000,00, nu blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad in beginsel deze vermindering niet meer bedraagt dan € 5.000,00 en het hof geen aanleiding ziet om van dat uitgangspunt af te wijken.
Het hof zal aldus een betalingsverplichting opleggen van (€ 384.359,85 -/- € 5.000,00 =) € 379.359,85.
Gijzeling
Met ingang van 1 januari 2020 heeft het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kracht van wet gekregen. Het hof zal daarom bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel tevens de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt.
Het hof hanteert, overeenkomstig de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunten, bij de berekening van de duur van deze gijzeling voor elke volle € 50,00 van de betalingsverplichting één dag. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht drie jaren.
Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd hierna bepalen op drie jaren.
Toepasselijke wettelijke voorschrift
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 384.359,85 (zegge: driehonderdvierentachtigduizend driehonderdnegenenvijftig euro en vijfentachtig cent);
legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 379.359,85 (zegge: driehonderdnegenenzeventigduizend driehonderdnegenenvijftig euro en vijfentachtig cent);
bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. J.H. de Krijger en mr. M.J. Grapperhaus, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,
en op 16 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Grapperhaus voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Bovendien geldt dat betrokkene in de hoofdzaak is vrijgesproken van betrokkenheid bij, respectievelijk twee drugs- en drie geldtransporten, zodat die transporten niet, zonder dat dit strijd oplevert met de onschuldspresumptie (Geeringsjurisprudentie), meegenomen mogen worden bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Tot slot heeft de raadsman tegenover de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het ontnemingsrapport de in hoger beroep overgelegde verklaring van betrokkene geplaatst, inhoudende dat betrokkene voor zijn aandeel bij de transporten 17 keer € 1.200,- euro heeft ontvangen, zodat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op het bedrag van € 20.400,-.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof acht, gelet op het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep en in het bijzonder de veroordeling in de strafzaak tegen de verdachte alsmede de inhoud van het ontnemingsrapport met nummer 2611128HZ-4444, voldoende aannemelijk dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, door zich schuldig te maken aan – kort gezegd – deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van Opiumwetdelicten, alsmede andere strafbare feiten (waaronder witwassen) en verwerpt de ter zake gevoerde verweren van de verdediging.
In het vonnis van de rechtbank staat het navolgende overwogen.
Het financieel rapport.
In het financieel onderzoek wordt becijferd dat het door veroordeelde en zijn
medeveroordeelde ten deze gezamenlijk verkregen voordeel bedraagt
€ 3.690.046,00. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend door middel van een zogenaamde transactieberekening. Kortgezegd staat daarbij de vraag centraal wat veroordeelden hebben verdiend met de bewezenverklaarde of ‘andere’ strafbare feiten (art. 36. lid 2 Wetboek van Strafrecht).
Onderzoeksperiode.
Genoemd wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend over de gehele onderzoeksperiode
van het strafrechtelijk onderzoek, te weten van 15 augustus 2012 tot en met 23 september
2014.
Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uit het onderzoek is gebleken dat veroordeelde en de medeveroordeelde [medeverdachte 1]
deel hebben uitgemaakt van een criminele organisatie die was gericht op het plegen van
(gewoonte)witwassen, het plegen van Opiumwetdelicten, het medeplegen van
drugstransporten naar het Verenigd Koninkrijk, het voorhanden hebben van (hard)drugs en
voorwerpen en stoffen bestemd voor de productie van synthetische drugs.
In het financieel rapport wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op basis
van bedragen die de criminele organisatie heeft ontvangen via ondergronds bankieren. De
criminele organisatie heeft gehandeld in verdovende middelen en heeft verdovende
middelen geëxporteerd naar Groot-Brittannië. De betalingen die de criminele organisatie
(middels ondergronds bankieren) uit de drugstransporten heeft ontvangen, worden gezien
als omzet van de criminele organisatie.
Uit het onderzoek is gebleken dat in de periode van 20 januari 2014 tot en met 4 juli 2014
tenminste zeventien (17) geldtransacties in verband met de drugstransporten hebben
plaatsgevonden.
Om het gemiddelde bedrag van de geldtransactie per drugstransport te berekenen, is aan de
hand van acht (8) geldtransporten in genoemde periode het gemiddelde bedrag van die
transporten berekend. In het financieel rapport wordt berekend dat de omzet van de
criminele organisatie van die acht geldtransporten in die periode € 736.200,00 bedroeg en
gemiddeld € 92.025,00 per transport. De omzet van zeventien (17) geldtransporten wordt
dan berekend op (17 x € 92.025,00 ) =
€ 1.564.425,00. Vervolgens is de gemiddelde omzet per dag in de periode van 20 januari 2014 tot en met 4 juli 2014 berekend. Dat bedrag is vastgesteld op € 9.597,00.
Opbrengst.
Het wederrechtelijk voordeel over de periode van het gehele onderzoek wordt berekend
over de periode 15 augustus 2012 tot en met 23 september 2014. De periode beloopt 769
dagen. De totale omzet is dan berekend op (769 x € 9.597,00 =) € 7.380.093,00.
Omdat uit het financieel onderzoek niet is gebleken hoe hoog de kosten waren, is bij de
berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van een winstpercentage
van 50%. Het wederechtelijk verkregen voordeel is daarmee vastgesteld op (afgerond)
€ 3.690,046,00.
In het financieel rapport wordt dit bedrag verdeeld tussen veroordeelde (30%) en de
medeveroordeelde (70%) gelet op de rol die beiden in de criminele organisatie vervulden.
Aldus is het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel bepaald op
€ 1.107.014,00.
De grondslag van de vordering.
Het gerechtshof heeft in zijn arrest, gewezen in de strafzaak, onder meer bewezenverklaard
dat veroordeelde heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.
Voorts heeft het gerechtshof onder meer overwogen:
“Het hof komt (... ) tot het oordeel dat inderdaad sprake is geweest van een groot aantal
transporten van contante geldbedragen. (...) Uit dit alles wordt dan ook geconcludeerd dat
de geldtransporten werden verricht uit hoofde van en ten dienste van de organisatie.
(...)
Het hof is (....) van oordeel dat redelijkerwijs geen andere conclusie mogelijk is dan dat
deze transporten verband hielden met betalingen door derden aan de organisatie wegens
door deze geleverde verdovende middelen.
(...)
komt het hof tot het oordeel dat sprake is geweest van een groot aantal (contante)
geldtransporten in de periode van 20 januari 2014 tot en met 4 juli 2014.
(...)
Gelet op de inhoud en het karakter van de sms-berichten bij de transporten, de verschillende observaties en constateringen, waaruit blijkt dat de transporten telkens op essentiële punten langs een gelijk en zich herhalend patroon verliepen (zelfde modus operandi), en alles in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot de conclusie dat sprake is geweest van in totaal 18 transporten van contante geldbedragen, waarbij -
zo acht het hof bewezen - verdachte direct feitelijk betrokken is geweest. Verdachte heeft daarbij een organiserende rol gespeeld.
(...)
Voorts acht het hof bewezen dat verdachte wist dat de geldbedragen middellijk van
enig misdrijf afkomstig waren en dat er dus sprake is geweest van witwassen. Zoals eerder
vastgesteld, heeft de criminele organisatie waar verdachte deel van uitmaakte, zich schuldig
gemaakt aan in totaal vijf transporten van verdovende middelen (harddrugs) naar het
Verenigd Koninkrijk in de periode van 1 februari 2014 tot en met 28 mei 2014 en is er
sprake geweest van hennep gerelateerde activiteiten in de vorm van in elk geval vier
leveringen van softdrugs. Zoals ook eerder is vastgesteld is het hof van oordeel dat
redelijkerwijs geen andere conclusie mogelijk is dan dat de geldtransporten verband hielden met betalingen door derden aan de organisatie wegens door de organisatie geleverde verdovende middelen.
Inleiding
Het hof acht het voorts aannemelijk dat verdachten de verdiensten van de handel in verdovende middelen hebben gebruikt om de leden van de organisatie uit te betalen en hebben gebruikt om de eerder genoemde drugstransporten in stand te houden en te faciliteren.
(...)
Hij kan dan ook verantwoordelijk gehouden worden voor het mede verrichten van 19
geldtransporten in een tijdsbestek van ruim zes maanden, waarbij voor zover bekend
geworden een totaalbedrag van ruim € 800.000,-, doch in werkelijkheid veeleer een miljoen
euro ruim uitstijgend, voor de drugsbende is opgehaald en afgeleverd.”
Daarmee zijn naar het oordeel van de rechtbank de in het financieel rapport gehanteerde
bedragen per transport en per dag aannemelijk geworden en verifieerbaar.
Het hof neemt bovenstaande overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. In navolging van de rechtbank oordeelt het hof dat de in het ontnemingsrapport gehanteerde bedragen per transport en per dag aannemelijk zijn geworden en verifieerbaar zijn. Daartoe wijst het hof in het bijzonder op het arrest van het hof in de hoofdzaak. Het hof acht de (op extrapolatie gebaseerde) berekening in het ontnemingsrapport dan ook bruikbaar voor de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Mitsdien verwerpt het hof het zake gevoerde primaire verweer van de verdediging.
De raadsman heeft in hoger beroep het in eerste aanleg gevoerde verweer, inhoudende dat betrokkene in de hoofdzaak is vrijgesproken van betrokkenheid bij respectievelijk twee drugs- en drie geldtransporten, zodat die transporten niet zonder dat dit strijd oplevert met de onschuldspresumptie (Geeringsjurisprudentie) meegenomen mogen worden bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, herhaald. De rechtbank heeft omtrent dit verweer het navolgende overwogen.
In de zaak Geerings vs. Nederland (EHRM 1 maart 2007, ECLI:NL:XX:2007:BA1112)
bepaalde het EHRM dat rechtstreekse ontneming na vrijspraak ontoelaatbaar is, daar
voordeelsontneming niet kan worden gebaseerd op iemands schuld aan een strafbaar feit
wanneer de rechter heeft vastgesteld dat die schuld onvoldoende vast staat. De Geerings uitspraak staat er echter niet aan in de weg dat voordeel wordt ontnomen dat door een criminele organisatie is verkregen uit concrete strafbare feiten waarvan betrokkene
zelf is vrijgesproken.
De rechtbank stelt vast dat in de bewijsmiddelen die het gerechtshof heeft gebezigd, is
opgenomen dat veroordeelde in de periode van 15 augustus 2012 tot en met 23 september 2014 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en dat in de periode van 20 januari 2014 tot en met 4 juli 2014 in totaal achttien geldtransporten hebben plaatsgevonden en dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat deze geldtransporten verband hielden met betalingen aan de criminele organisatie voor de levering van drugs. De rechtbank ziet daarom niet in waarom enkel de vijf door de verdediging genoemde drugstransporten als grondslag van de vordering kunnen dienen nu het gerechtshof in de hoofdzaak heeft overwogen dat achttien transporten verband hielden met geleverde verdovende middelen. In de ontnemingsprocedure is de rechter hieraan gebonden.
Het verweer van de verdediging dat er in zoverre geen grondslag is voor de ontneming van
wederrechtelijk verkregen voordeel dient dan ook te worden verworpen.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank met bovenstaande overwegingen het verweer van de verdediging op goede gronden verworpen. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof dat uit de door het hof in de hoofdzaak gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt dat de criminele organisatie waarvan betrokkene deel heeft uitgemaakt tot oogmerk had het plegen van misdrijven, in het bijzonder misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Dit betrof niet louter de productie, handel en export van harddrugs, maar ook de handel in softdrugs (hennep) en vermoedelijk tevens de productie van synthetische drugs, althans voorbereidingshandelingen voor de productie daarvan. Het hof heeft in de strafzaak op grond van wettige bewijsmiddelen vastgesteld dat de geldtransporten werden verricht uit hoofde van en ten dienste van de criminele organisatie en verband hielden met betalingen van derden aan de criminele organisatie wegens door de organisatie geleverde verdovende middelen. Mitsdien kunnen de geldtransporten betrokken worden bij de berekening van het (totaal) door de criminele organisatie gegenereerde en – in het verlengde daarvan – aan betrokkene toegevloeide wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat betrokkene in de hoofdzaak is vrijgesproken van betrokkenheid bij specifieke drugs- of geldtransporten doet aan het vorenoverwogene niets af, nu de drugs- of geldtransporten stuk voor stuk zijn uitgevoerd uit hoofde van en ten dienste van de organisatie, waarvan betrokkene deel heeft uitgemaakt. Een en ander wordt door het verweer van de raadsman miskend, zodat het niet kan slagen.
In hoger beroep is door de raadsman een schriftelijke verklaring van betrokkene overgelegd, op grond waarvan de raadsman heeft bepleit dat het door betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op een bedrag van € 20.400,-. De verklaring luidt – voor zover relevant en in de kern weergegeven – als volgt. Betrokkene heeft af en toe geldtransporten geregeld. Daarvoor kreeg hij per rit, en na aftrek van kosten, een bedrag van ongeveer € 1.200,-. Het getransporteerde geld was niet afkomstig uit de handel in verdovende middelen, noch was het geld van of voor betrokkene. Een ander dan [medeverdachte 1] heeft opdracht gegeven voor de transporten, maar de naam van deze persoon wenst betrokkene niet te noemen.
Het hof hecht geen geloof aan de (schriftelijke) verklaring van betrokkene. Daartoe overweegt het hof in de eerste plaats dat de verklaring pas in de fase van hoger beroep is overgelegd, hetgeen de geloofwaardigheid daarvan niet ten goede komt. Naar het oordeel van het hof heeft de verklaring geen “handen of voeten” gekregen; deze blijft slechts bij niet onderbouwde stellingen. Bovendien is het hof van oordeel dat de verklaring onvoldoende steun vindt in het procesdossier, waarbij deze naar het oordeel van het hof evenmin op een aannemelijke en/of steekhoudende wijze inpasbaar is in de overige bewijsmiddelen. Zonder uitputtend te zijn overweegt het hof dat reeds in de strafzaak door het hof is overwogen dat de bewijsmiddelen geen ruimte laten voor een andere conclusie dan dat de geldtransporten verband hielden met betalingen aan de criminele organisatie wegens door de organisatie geleverde verdovende middelen. Dit is onverenigbaar met de andersluidende verklaring van betrokkene, waarbij het hof opmerkt dat door betrokkene geen andere legale herkomst van het geld is aangedragen noch anderszins een legale herkomst is gebleken, of zelfs maar aannemelijk is geworden.
Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat betrokkene nauw en intensief samenwerkte met [medeverdachte 1] en dat betrokkene binnen de criminele organisatie voor [medeverdachte 1] optrad als intermediair en dat hij aanwezig was bij ontmoetingen en overleggen over de handel in en het vervoer van verdovende middelen. Dat is in overeenstemming met de vaststelling dat de geldtransporten wel degelijk betrekking hadden op verdovende middelen, maar laat zich slecht rijmen met de beperkte rol die betrokkene naar eigen zeggen had en de in verhouding bescheiden vergoedingen die betrokkene naar eigen zeggen in dat kader ontving.
Inleiding
Het hof verwerpt ook dit verweer van de verdediging.
Periode waarover het wederrechtelijk voordeel is genoten
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene gedurende de bewezenverklaarde periode dat hij deel heeft uitgemaakt van de criminele organisatie wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, te weten 15 augustus 2012 tot en met 23 september 2014.
De raadsman heeft – bij wijze van subsidiair standpunt – bepleit dat in ieder geval niet kan worden vastgesteld dat betrokkene in de periode voor 20 januari 2014 betrokken is geweest bij strafbare feiten waaruit hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Voor wat betreft het einde van de periode waarover betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en stelt het hof deze vast op 4 juli 2014. In afwijking van het oordeel van de rechtbank en de standpunten van de advocaat-generaal en de raadsman, is het hof van oordeel dat de aanvang van de periode waarover betrokkene wederrechtelijk heeft genoten moet worden vastgesteld op 11 oktober 2013. Het hof baseert dit oordeel op de overwegingen van het hof in de strafzaak jegens betrokkene.
Op pagina 15 en verder van het arrest van het hof in de hoofdzaak heeft het hof, in het kader van de onderlinge verhoudingen en de samenwerking binnen de criminele organisatie, overwogen dat betrokkene nauw en intensief heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] , dat betrokkene binnen de criminele organisatie voor [medeverdachte 1] optrad als intermediair en dat hij met [medeverdachte 1] zakelijk overleg voerde. In dit verband is door het hof vastgesteld dat betrokkene op 11 oktober 2013 en 24 oktober 2013 aanwezig is geweest bij ontmoetingen waarbij klaarblijkelijk monsters van verdovende middelen zijn afgegeven en overleg is gevoerd over xtc-pillen. Op 4 november 2013 heeft [medeverdachte 1] voorts naar zichzelf en betrokkene verwezen als de “Cannaclub” (het hof begrijpt: cannabisclub) en op 26 februari 2014 heeft betrokkene [medeverdachte 1] aangeduid als “de baas”. Op grond van deze overwegingen – en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen – bezien in het licht van hetgeen overigens omtrent de criminele organisatie en de rol van betrokkene daarbij is gebleken, kan worden vastgesteld dat betrokkene (in ieder geval) vanaf 11 oktober 2013 een dusdanige rol en aandeel in de criminele organisatie heeft gehad dat het hof het op grond daarvan aannemelijk acht dat betrokkene vanaf dat moment geacht moet worden uit de criminele organisatie wederrechtelijk voordeel verkregen te hebben verkregen in de mate waarvan de ontnemingsberekening uitgaat (30%).
Dat en in welke mate betrokkene in de periode voor 11 oktober 2013 wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen, zoals door de advocaat-generaal is betoogd, acht het hof onvoldoende komen vast te staan. Het hof heeft een onvoldoende concreet beeld van de rol en het aandeel van betrokkene bij de criminele organisatie in de periode voor 11 oktober 2013. Naar het oordeel van het hof heeft de advocaat-generaal onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht, waaruit kan blijken dat betrokkene in de periode voor 11 oktober 2013 binnen de criminele organisatie een rol van voldoende gewicht heeft gehad, die het oordeel rechtvaardigt dat betrokkene daaruit wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en in welke mate.
Kosten en verdeling
De raadsman van betrokkene heeft verwezen naar diens schriftelijke conclusie in eerste aanleg voor wat betreft de verweren aangaande de kosten en de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof oordeelt dat de rechtbank de kosten en verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op juiste wijze heeft vastgesteld alsmede dat de rechtbank de ter zake gevoerde verweren op goede gronden heeft verworpen. Het hof neemt de desbetreffende overwegingen van de rechtbank hierna over.
Op het bedrag van in het financieel rapport als opbrengst (waarop het wederrechtelijk
verkregen voordeel wordt gebaseerd) is vastgesteld, is 50% in mindering gebracht in
verband met kosten.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft aangevoerd dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen
voordeel moet worden uitgegaan van een hogere marge aan kosten dan 50% omdat (meer)
rekening moet worden gehouden met de inkoopprijs van drugs, kosten voor vervoer,
chauffeurs, opslag en andere kosten.