Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-12-19
ECLI:NL:RBOBR:2024:6448
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,192 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.250607.20 (ontneming)
Datum uitspraak: 19 december 2024
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1981] ,
wonende te [adres] ,
hierna: “de veroordeelde”.
Onderzoek van de zaak
De vordering van de officieren van justitie van 21 november 2023 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 161.200,47 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officieren van justitie hebben bij conclusie van eis van 13 september 2024 de vordering gewijzigd in die zin dat een bedrag van € 122.700,47 wordt gevorderd.
De verdediging heeft daarop bij conclusie van antwoord van 22 oktober 2024 gereageerd.
De officieren van justitie hebben bij conclusie van repliek van 13 november 2024 gepersisteerd bij de vordering van een bedrag van € 122.700,47.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 20 december 2023 en 21 november 2024.
Beoordeling
Het standpunt van de officieren van justitie.
De officieren van justitie hebben ter terechtzitting van 21 november 2024 bij requisitoir gepersisteerd bij de vordering van een bedrag van € 122.700,47.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft ter terechtzitting van 21 november 2024 op gronden zoals vermeld in de pleitnota (en zoals vermeld in de conclusie van antwoord van 22 oktober 2024) het volgende betoogd.
De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie (OM) niet ontvankelijk moet worden verklaard in de ontnemingsprocedure, primair omdat de officieren van justitie niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van ‘andere strafbare feiten’ waaruit wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen, subsidiair, omdat de verdediging van mening is dat de veroordeelde moet worden vrijgesproken.
Meer subsidiair heeft de verdediging betoogd dat het ontnemingsbedrag moet worden gematigd. De verdediging heeft tot slot aangevoerd dat de betalingsverplichting moet worden gematigd omdat de redelijke termijn is overschreden en omdat het in de woning aangetroffen contante bedrag van € 38.450,00 ten onrechte is teruggegeven aan de coffeeshop.
Beoordeling
De vordering is tijdig ingediend.
Ontvankelijkheidsverweer
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het OM overweegt de rechtbank het volgende. Ten eerste is het antwoord op de vraag of het OM aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van ‘andere strafbare feiten’ waaruit voordeel is verkregen, niet relevant voor de ontvankelijkheid van het OM. Het is een inhoudelijke vraag, die pas aan de orde komt bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering. Ten tweede is het een gegeven dat de rechtbank de veroordeelde bij vonnis van 23 juli 2024 heeft veroordeeld wegens strafbare feiten, zodat het OM op grond van artikel 36e van Wetboek van Strafrecht (Sr) in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan ontvangen.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat zij een vrijspraak verwacht in hoger beroep en dat de uitkomst van het hoger beroep (daarom) dient te worden afgewacht, overweegt de rechtbank als volgt. Het kan nog jaren duren voordat er een onherroepelijke uitspraak in de strafzaak ligt, zeker als er ook nog cassatie zou worden ingesteld. De redelijke termijn en de procesgang komen (verder) in het geding als hierop gewacht wordt. Het is niet zo dat aan de verdediging een beroepsinstantie wordt ontnomen als de rechtbank nu vonnis wijst in de ontnemingszaak. Tegen het vonnis in de ontnemingszaak kunnen dezelfde (en evenveel) rechtsmiddelen worden aangewend als tegen het vonnis in de strafzaak. Mocht het gerechtshof de veroordeelde in hoger beroep in de strafzaak vrijspreken, dan vervalt de uitspraak over de ontnemingsvordering bovendien van rechtswege. Al met al is er dus geen reden om de uitspraak in de strafzaak in hoger beroep af te wachten. De rechtbank gaat thans uit van haar eigen vonnis in de strafzaak.
Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM wordt verworpen.
Beoordeling
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e, derde lid, Sr kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De rechtbank heeft de veroordeelde in de strafzaak veroordeeld wegens verschillende misdrijven die worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, waaronder het misdrijf ‘een gewoonte maken van het plegen van witwassen’. De rechtbank is tot het bewijs van dit misdrijf gekomen aan de hand van een zogenaamde kasopstelling/ vermogensvergelijking, waaruit zij de conclusie heeft getrokken dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen die in de bewezenverklaring zijn genoemd, onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Uit de kasopstelling is namelijk gebleken dat de veroordeelde in de bewezenverklaarde periode veel contant geld heeft gestort, een grote contante uitgave heeft gedaan en over grote som contant geld heeft beschikt, terwijl die contante bedragen niet met zijn legale inkomsten en contante opnamen konden worden verklaard.
De rechtbank heeft in het vonnis in de strafzaak niet geconcretiseerd welke strafbare feiten de bron hebben gevormd van de illegale vermogensaanwas, noch door wie die strafbare feiten zijn begaan. Dit was niet mogelijk en de rechtbank was daar ook niet toe gehouden. Waar het op neerkomt is dat de rechtbank aan de hand van de kasopstelling heeft vastgesteld dat de veroordeelde geld uit ‘(andere) strafbare feiten’ voor zichzelf heeft kunnen aanwenden.
De grondslag voor de onderhavige ontnemingsvordering is niet dat verdachte uit de bewezenverklaarde feiten voordeel heeft verkregen, noch dat hij voordeel heeft verkregen uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan (artikel 36, tweede lid, Sr). De ontnemingsvordering is gebaseerd op het derde lid van artikel 36e Sr. In dat kader is voldoende dat aannemelijk wordt dat de veroordeelde uit ‘andere strafbare feiten’ wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen en dat is gezien het resultaat van de kasopstelling zonder meer het geval.
Wanneer de ontnemingsvordering wordt gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr, hoeft niet te worden vastgesteld dat de veroordeelde de strafbare feiten waaruit voordeel is verkregen zelf heeft begaan, noch is de rechter gehouden te concretiseren welke ‘andere strafbare feiten’ ertoe hebben geleid dat de veroordeelde het op basis van een kasopstelling geschatte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen (HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414).
De rechtbank baseert haar beslissing in deze ontnemingszaak op de bewijsmiddelen die in de hoofdzaak zijn gebezigd voor de bewezenverklaring van gewoontewitwassen en op de bevindingen uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel met nr. RAP-V-018 (hierna: het ontnemingsrapport).
Uit het ontnemingsrapport volgt dat de veroordeelde in de onderzoeksperiode van 1 februari 2018 tot 6 oktober 2020 een bedrag van € 2.000,00 contant heeft opgenomen. De beschikbaarheid van meer contant geld uit een legale bron is niet gebleken of aannemelijk geworden. De veroordeelde heeft ook geen (contant) vermogen opgegeven in zijn aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2018 tot en met 2020. Toch heeft hij contante stortingen gedaan op zijn bankrekening tot een bedrag van in totaal € 92.875,47, ogenschijnlijk om daarmee zijn (online) gokverslaving te bekostigen. Daarnaast heeft hij € 19.750,00 contant betaald voor de aanschaf van een auto én lag er op het moment van de doorzoeking van 6 oktober 2020 een bedrag van € 12.075,00 in zijn auto en woning.
De contante stortingen, contante uitgave en het contante geld dat veroordeelde op 6 oktober 2020 nog in zijn bezit had, komen per saldo neer op een bedrag van € 124.700,47. Wanneer het contante bedrag van € 2.000,00 waarover de veroordeelde aantoonbaar (legaal) kon beschikken in mindering wordt gebracht, resteert een bedrag van € 122.700,47, dat de rechtbank aanmerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ter weerlegging van de stelling dat de veroordeelde wel degelijk over veel (legaal) contant geld kon beschikken doordat hij heeft gespaard, zijn shoarmazaak met winst heeft verkocht en een vermogen heeft verdiend met gokken in fysieke (in tegenstelling tot online) casino’s, verwijst de rechtbank de bewijsmotivering in de strafzaak. De rechtbank acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de veroordeelde in fysieke casino’s een veelvoud van zijn inleg zou hebben verdiend, zoveel dat daaruit al het beschikbare contante geld zou kunnen worden verklaard. De rechtbank merkt daarbij op dat indien een bedrag aan ‘winst’ uit fysieke casino’s in mindering zou worden gebracht op het geschatte voordeel, feitelijk zou worden aangenomen dat deze winst ‘netto’ is en dus is gegenereerd zonder ook maar één (contante) euro in te leggen. De rechtbank ziet daar dan ook van af. Voor het overige heeft de veroordeelde geen concrete en verifieerbare verklaring afgelegd omtrent de herkomst van de grote sommen contant geld, terwijl dit wel op zijn weg lag.
Over het bedrag van € 38.450,00
De verdediging heeft nog betoogd dat de betalingsverplichting dient te worden gematigd, omdat het in de woning (eveneens) aangetroffen contante geldbedrag van € 38.450,00 in beslag is genomen en de rechtbank ten aanzien van dat bedrag heeft bepaald dat het moet worden teruggegeven aan de coffeeshop als rechthebbende. Dit verweer laat zich lastig begrijpen, nu de veroordeelde bij vonnis van 23 juli 2024 partieel is vrijgesproken voor het (gewoonte)witwassen van dit bedrag. Dit bedrag is dan ook niet in de ontnemingsberekening meegenomen. Het behoorde ook niet toe aan verdachte, zodat de teruggave daarvan aan de rechthebbende hem ook niet treft in zijn vermogen.
Overschrijding redelijke termijn.
De rechtbank constateert dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Bij vonnis van 23 juli 2024 heeft de rechtbank de veroordeelde in de strafzaak reeds gecompenseerd voor deze overschrijding. De rechtbank zal gelet daarop de veroordeelde niet opnieuw compenseren voor de overschrijding (vgl. HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:167).
Toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 122.700,47 (honderdtweeëntwintigduizend en zevenhonderd euro en zevenenveertig cent).
legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 122.700,47 (honderdtweeëntwintigduizend en zevenhonderd euro en zevenenveertig cent), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat zij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan zij is veroordeeld, heeft verkregen.
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1.080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R. van den Munckhof, voorzitter,
mr. C.W.H. Houg en mr. S.H.C. Merkx, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,
en is uitgesproken op 19 december 2024.
Het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer van 23 juli 2024, met parketnummer 01.250607.20.