Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-12-16
ECLI:NL:RBMNE:2022:6131
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,362 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/537070 / FO RK 22-377
Vernietiging erkenning, vervangende toestemming erkenning, gezamenlijk gezag, omgangsregeling en informatieregeling.
Beschikking van 16 december 2022
in de zaak van:
[de man]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R. van Manen,
tegen
[de moeder]
,
wonende in [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. W.B. Janssens,
en
[A]
,
wonende in [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen: de heer [achternaam van A] ,
advocaat mr. W.B. Janssens,
met als belanghebbende
mr. P.M.A.C. van de WOUW,
kantoorhoudende in [plaats 1] ,
als bijzondere curator over het kind: [voornamen van minderjarige] [achternaam van A], geboren op [2019] in [geboorteplaats 1] (roepnaam: [minderjarige (roepnaam)] ).
Procesverloop
1.1.
De man heeft op 28 maart 2022 een verzoekschrift ingediend met bijlagen.
1.2.
In de beschikking van 15 april 2022 heeft de rechtbank mr. P.M.A.C. van de WOUW benoemd als bijzondere curator over [minderjarige (roepnaam)] . De bijzondere curator vertegenwoordigt [minderjarige (roepnaam)] in deze procedure en komt op voor zijn belang.
1.3.
Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
het F-formulier van de moeder van 8 april 2022 met bijlagen;
het advies van de bijzondere curator van 9 juni 2022;
het brief van de moeder en de heer [achternaam van A] van 11 juli 2022;
het verweerschrift van de moeder en de heer [achternaam van A] van 11 juli 2022 met bijlagen;
de brief van de man van 4 juli 2022.
1.4.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 28 november 2022. Daarbij waren aanwezig:
de man, bijgestaan door mr. R. van Manen;
de moeder en de heer [achternaam van A] , bijgestaan door mr. W.B. Janssens;
de bijzondere curator;
mevrouw [B] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
2Waar de procedure over gaat
2.1.
De man en de moeder hebben een relatie gehad.
2.2.
Na deze relatie is de moeder bevallen van een zoon:
- [voornamen van minderjarige] [achternaam van de moeder], geboren op [2019] in [geboorteplaats 1] (roepnaam: [minderjarige (roepnaam)] ).
2.3.
De moeder heeft aan de heer [achternaam van A] toestemming gegeven om [minderjarige (roepnaam)] te erkennen. De heer [achternaam van A] heeft [minderjarige (roepnaam)] erkend op [2022] . Ter gelegenheid van de erkenning is gekozen voor de geslachtsnaam ‘ [achternaam van A] ’ voor [minderjarige (roepnaam)] , zodat hij sindsdien heet: [voornamen van minderjarige] [achternaam van A] .
2.4.
De moeder en de heer [achternaam van A] hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige (roepnaam)] sinds [2022] .
2.5.
Op [2022] is de moeder met de heer [achternaam van A] gehuwd.
2.6.
De man verzoekt de rechtbank om:
I. de erkenning van [minderjarige (roepnaam)] door de heer [achternaam van A] te vernietigen;
II. aan de man vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige (roepnaam)] te erkennen;
III. een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [minderjarige (roepnaam)] waarbij de opbouw, invulling en frequentie wordt ingevuld door [instantie] in [plaats 2] , dan wel een andere instantie. De man verzoekt de rechtbank partijen door te verwijzen naar deze instantie en te bepalen dat de omgangsregeling ook door deze instantie kan worden uitgebreid en of gewijzigd op aanwijzing en ter beoordeling van deze instantie, waarbij toegewerkt wordt naar een omgangsregeling waarbij [minderjarige (roepnaam)] evenredig bij de man en de moeder verblijft;
IV. de man samen met de moeder te belasten met het gezag over [minderjarige (roepnaam)] ;
V. een informatieregeling vast te stellen waarbij de moeder de man minimaal eenmaal per maand schriftelijk op de hoogte brengt omtrent de algemene ontwikkeling van [minderjarige (roepnaam)] en eventuele medische problemen, alsmede verslag te doen van zijn vrije tijdsbesteding, zijn sociale gedrag en in de toekomt ook van schoolprestaties. Ook moet de moeder de man onmiddellijk informeren als daar op medisch gebied noodzaak toe is.
2.7.
De bijzondere curator verzoekt ook om de erkenning van [minderjarige (roepnaam)] door de heer [achternaam van A] te vernietigen en aan de man vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige (roepnaam)] te kunnen erkennen.
2.8.
De moeder en de heer [achternaam van A] zijn het niet eens met de verzoeken van de man en de bijzondere curator.
Beoordeling
Vernietiging erkenning
Voorwaardelijke toestemming erkenning van de moeder
3.1.
Als de moeder wist dat de man [minderjarige (roepnaam)] wilde erkennen, volgt uit de jurisprudentie dat de moeder in die situatie slechts voorwaardelijk toestemming tot erkenning kon geven aan een ander dan de man. Dit betekent dat de toestemming van de moeder alleen gevolg heeft indien de door de man gevraagde vervangende toestemming bij een definitief geworden rechterlijke beslissing is geweigerd. Relevant is dus de vraag of de moeder wist dat de man [minderjarige (roepnaam)] wilde erkennen op het moment dat zij aan de heer [achternaam van A] toestemming gaf voor de erkenning.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat aan bovenstaand criterium niet is voldaan. Vaststaat namelijk dat de moeder op [2022] aan de heer [achternaam van A] toestemming heeft gegeven om [minderjarige (roepnaam)] te erkennen en dat de man de moeder één dag later bij brief van 3 [.] 2022 heeft aangeschreven met het verzoek om toestemming voor de erkenning van [minderjarige (roepnaam)] . Volgens de moeder heeft zij pas op 7 [.] 2022 de brief van de man ontvangen. Hierdoor is niet vast te stellen dat de moeder wist dat de man [minderjarige (roepnaam)] wilde erkennen op het moment dat zij aan de heer [achternaam van A] toestemming gaf voor de erkenning. De man heeft nog gesteld dat hij al voor de geboorte van [minderjarige (roepnaam)] aan de moeder heeft verteld dat hij het kind wilde erkennen, maar dit wordt door de moeder betwist en is door de man niet onderbouwd. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot vernietiging van de erkenning.
Ontvankelijkheid van de man
3.3.
De biologische vader wordt in de wet niet genoemd als persoon die een verzoek tot vernietiging van de erkenning kan indienen. Op basis van de jurisprudentie kan de verwekker toch de erkenning door een ander aantasten als de moeder hem toestemming tot erkenning heeft geweigerd en toestemming geeft aan een ander, voordat de verwekker vervangende toestemming heeft kunnen vragen aan de rechtbank. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank in deze situatie geen sprake. Zoals hiervoor is overwogen is namelijk niet vast komen te staan dat de man toestemming voor erkenning heeft gevraagd aan de moeder, voordat zij haar toestemming gaf aan de heer [achternaam van A] voor de erkenning van [minderjarige (roepnaam)] .
3.4.
Indien de verwekker wel de gelegenheid heeft gehad om (vervangende) toestemming voor de erkenning te vragen, maar dit niet heeft gedaan, dan geldt een strenge maatstaf. Dan moet worden beoordeeld of de moeder misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid door toestemming voor de erkenning aan een ander te geven, met slechts als oogmerk om de belangen van de verwekker te schaden.
3.5.
De rechtbank is net als de bijzondere curator van oordeel dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid door de moeder. De moeder heeft onbetwist gesteld dat zij sinds eind [2021] een relatie heeft met de heer [achternaam van A] en dat zij een jaar later aan hem toestemming heeft verleend voor de erkenning van [minderjarige (roepnaam)] . Tegen de achtergrond dat de heer [achternaam van A] toen al enige tijd deel uitmaakte van het gezin van de moeder en de man niet eerder stappen heeft ondernomen om [minderjarige (roepnaam)] te erkennen, heeft de man onvoldoende concrete feiten en omstandigheden genoemd die maken dat de erkenning door de heer [achternaam van A] slechts is gedaan met het oogmerk de belangen van de man te schaden. De rechtbank zal de man daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot vernietiging van de erkenning en hierna het verzoek van de bijzondere curator bespreken.
Het verzoek van de bijzondere curator
3.6.
De bijzondere curator heeft het verzoek namens [minderjarige (roepnaam)] overgenomen, waardoor de rechtbank toch het verzoek kan beoordelen. Voor kinderen geldt namelijk een ruimere grond om het verzoek in te dienen. Op grond van de wet kan een kind tijdens zijn of haar minderjarigheid een verzoek tot vernietiging van de erkenning indienen als de erkenner niet zijn of haar biologische vader is.
3.7.
Tussen partijen staat vast dat de heer [achternaam van A] niet de verwekker is van [minderjarige (roepnaam)] . Het uitgangspunt van de wetgever is dat het afstammingsrecht zoveel mogelijk in overeenstemming dient te zijn met de biologische werkelijkheid. De rechtbank ziet in deze zaak geen reden om van dat uitgangspunt af te wijken. Net als de bijzondere curator en de Raad vindt de rechtbank het in het belang van [minderjarige (roepnaam)] dat in zijn geboorteakte de juiste vadergegevens komen te staan, zodat niemand daarover later kan twijfelen. Het feit dat [minderjarige (roepnaam)] al enige tijd bij de moeder en de heer [achternaam van A] woont en de heer [achternaam van A] een grote rol vervult in het leven van [minderjarige (roepnaam)] , leidt niet tot een ander oordeel. Niet is in te zien hoe de erkenning van [minderjarige (roepnaam)] door de man de band tussen [minderjarige (roepnaam)] en de moeder of de heer [achternaam van A] zal schaden of daaraan op andere wijze zal afdoen. De rechtbank zal daarom de erkenning van [minderjarige (roepnaam)] door de heer [achternaam van A] vernietigen.
Vervangende toestemming erkenning
3.8.
De rechtbank zal het verzoek toewijzen en aan de man vervangende toestemming verlenen om [minderjarige (roepnaam)] te erkennen. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
3.9.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige (roepnaam)] . Het uitgangspunt van de wet is dat zowel het kind als de verwekker er recht op hebben dat hun familieband officieel wordt vastgelegd. De rechtbank kan alleen in uitzonderlijke gevallen weigeren om vervangende toestemming te geven voor de erkenning. Dit kan als door de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind worden geschaad of als een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt.
3.10.
De rechtbank vindt het in het belang van (de identiteitsontwikkeling van) [minderjarige (roepnaam)] dat officieel wordt vastgelegd wie zijn vader is. Niet is gebleken dat de erkenning door de man de ontwikkeling van [minderjarige (roepnaam)] zal schaden of de relatie tussen de moeder en [minderjarige (roepnaam)] zal verstoren. Bij de moeder is sprake van (emotionele) weerstand tegen de erkenning van [minderjarige (roepnaam)] door de man. De moeder heeft een negatief beeld van de man en zij vreest dat er door de erkenning veel stress zal ontstaan in haar gezin, wat weer een negatieve invloed heeft op de ontwikkeling van [minderjarige (roepnaam)] . Hierdoor ervaart de moeder veel spanning, angst en verdriet. Volgens de rechtbank zal de band tussen [minderjarige (roepnaam)] en de moeder echter niet veranderen door enkel de erkenning. De bijzondere curator en de Raad zijn het daarmee eens. Enkel door de erkenning zal de man geen invloed krijgen op het leven van de moeder en [minderjarige (roepnaam)] . Hierdoor wordt alleen de juridische werkelijkheid in overeenstemming gebracht met de biologische werkelijkheid, door de man te vermelden op de geboorteakte van [minderjarige (roepnaam)] als zijn vader. De rechtbank vindt het belangrijk dat in officiële papieren staat wie de vader is van [minderjarige (roepnaam)] , zodat niemand daarover later kan twijfelen.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
vernietigt de door [A], geboren op [1998] in [geboorteplaats 2] , gedane erkenning van het kind [voornamen van minderjarige] [achternaam van A], geboren op [2019] in [geboorteplaats 1] ;
4.2.
verleent, onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing tot vernietiging van de erkenning van de heer [achternaam van A] in kracht van gewijsde is gegaan, vervangende toestemming aan [de man], om te erkennen het kind: [voornamen van minderjarige] [achternaam van A], geboren op [2019] in [geboorteplaats 1] , die na de vernietiging van de erkenning zal heten: [voornamen van minderjarige] [achternaam van de moeder];
4.3.
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vernietiging van de erkenning;
4.4.
ontslaat de bijzondere curator van haar functie als bijzondere curator over [minderjarige (roepnaam)] ;
4.5.
houdt de verdere behandeling van de verzoeken ten aanzien van de omgangsregeling en de informatieregeling pro forma aan tot 10 maart 2023 in afwachting van de resultaten van de hulpverlening,
verzoekt de beide advocaten om uiterlijk op voormelde pro forma datum de rechtbank te berichten over de voortgang en te laten weten:
of partijen overeenstemming hebben bereikt, en zo ja, wat die overeenstemming inhoudt en of partijen een en ander vastgelegd willen zien in een beschikking;
of een nadere aanhouding gewenst is en zo ja, voor hoe lang;
of een nadere behandeling ter zitting gewenst is;
of zonder een nadere behandeling ter zitting een beschikking kan worden gegeven, en zo ja, hoe het verzoek dan luidt;
dan wel dat het verzochte wordt ingetrokken;
verzoekt de beide advocaten om, in geval partijen voortzetting van de mondelinge behandeling wensen, ieder de eigen cliënt(e) op te roepen voor de nader te bepalen zitting;
verzoekt de griffier om de Raad op te roepen voor de nader te bepalen zitting;
4.6.
wijst het verzoek van de man ten aanzien van het gezag af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter,
in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2022.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0745 en HR 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3196
Artikel 1:205 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)
Artikel 1:205 BW
Artikel 1: 204 lid 3 BW
Artikel 1:253c lid 2 sub a BW
Artikel 1:377a BW