Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-09-30
ECLI:NL:RBGEL:2025:8096
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,322 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3867
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij].
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over twee padelbanen. In eerste instantie is aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de aanleg hiervan, maar dit besluit is herzien naar aanleiding van onder andere het bezwaar van eisers en de vergunning is alsnog geweigerd. Eisers zijn het niet eens met de besluitvorming door het college. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers geen procesbelang hebben bij de beoordeling van hun beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 14 september 2023 heeft het college aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee padelbanen op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Met het bestreden besluit van 6 mei 2024 op het bezwaar van eisers heeft het college zijn primaire besluit herzien en de aangevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd.
2.1.
Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vervolgens heeft eiser zijn beroepsschrift op 1 oktober 2024 aangevuld ter zake het procesbelang en op 11 oktober 2024 een aanvulling op het beroep ingediend. Het college heeft hier op 1 augustus 2025 schriftelijk op gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] namens eisers, de gemachtigde van het college en [persoon A] en [persoon B] namens de derde-partij.
Beoordeling
Aanvullende stukken
3. Eisers hebben na sluiting van het onderzoek aanvullende stukken naar de rechtbank gezonden op 22 augustus 2025 en op 3 september 2025. Het gaat om de pleitnotitie van eisers en de vooraankondiging en openbaarmaking van een nieuwe vergunningaanvraag door derde-partij. De rechtbank laat deze stukken buiten beschouwing omdat zij hierin geen aanleiding ziet voor heropening van de behandeling van het beroep van eisers. Hierbij overweegt de rechtbank dat zij het alsnog inbrengen van een pleitnotitie, die niet is voorgedragen op de zitting en ook niet op de zitting door de rechtbank is geaccepteerd, niet via de weg van het nazenden alsnog in de procedure kan worden gebracht. Verder dient de nieuwe vergunningaanvraag door het college op zijn eigen merites beoordeeld te worden en maakt deze aanvraag geen onderdeel uit van deze procedure.
Overgangsrecht
4. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning voor die datum is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.
Waar gaat deze zaak over?
5. Op 15 juni 2023 is door de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor twee padelbanen aan de [locatie 1] in [plaats], waar de tennisclub is gevestigd. Deze gronden zijn op grond van het (toen) geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Lochem, Partiële herziening’ bestemd als ‘Sport’. Tevens zijn de paraplubestemmingsplannen ‘Archeologie’ en ‘Parkeernormen’ van toepassing. De ingang van de vereniging is gelegen aan de [locatie 1]. Eisers wonen schuin tegenover de tennisbanen, aan de [locatie 2].
5.1.
Op 14 september 2023 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure. Hiertegen zijn meerdere bezwaarschriften van omwonenden ingediend, waaronder één van eisers. In de beslissing van 6 mei 2024 heeft het college onder meer het bezwaar van eisers gegrond verklaard en het besluit herroepen omdat de verkeerde voorbereidingsprocedure is gevolgd. Hierbij heeft het college vastgesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan vanwege de oppervlakte en de hoogte van padelbanen. In overeenstemming met het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft het college geconcludeerd dat een omgevingsvergunning voor handelen in strijd met het bestemmingsplan niet kan worden verleend op basis van een ‘binnenplanse afwijkingsmogelijkheid’ of de ‘kruimelgevallenregeling’ . Vergunningverlening voor het toestaan van handelen in strijd met het bestemmingsplan is dus alleen nog mogelijk op grond van een ruimtelijke onderbouwing. In dat geval moet bij het nemen van een besluit de uniforme voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gevolgd.
5.2.
Het college heeft het bezwaar van eisers daarom gegrond verklaard, het besluit herroepen en een nieuw ontwerpbesluit ter inzage gelegd, waarop zowel eisers als de derde-partij met zienswijzen hebben gereageerd. Op 23 juli 2024 heeft het college besloten om de omgevingsvergunning te weigeren. Eisers zijn tegen deze beslissing in beroep gekomen.
Procesbelang
6. De rechtbank oordeelt dat eisers geen procesbelang hebben. Volgens vaste jurisprudentie is alleen sprake van procesbelang wanneer het doel dat de belanghebbende voor ogen staat met het beroep kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
6.1.
Het beroep van eisers is gericht tegen het bestreden besluit van 6 mei 2024 tot weigering van een omgevingsvergunning voor twee padelbanen. Dit besluit is genomen naar aanleiding van het onder meer door eisers ingediende bezwaar waarbij het eisers te doen was om de verleende omgevingsvergunning van tafel te krijgen. Eisers zijn in het gelijk gesteld en de aanvraag om een omgevingsvergunning is in het bestreden besluit alsnog afgewezen en de verleende vergunning is herroepen. Derde-partij heeft hierin berust en heeft geen beroep ingesteld. Nu eisers hebben bereikt wat zij wilden bereiken, hebben zij geen belang meer bij vernietiging van dit besluit en ontbreekt het belang bij het voeren van deze procedure.
6.2.
Eisers betogen feitelijk belang te hebben bij de behandeling van hun beroep en streven enerzijds vernietiging van het primaire of het bestreden besluit na en anderzijds het verkrijgen van een inhoudelijk oordeel over alle bezwaar- en beroepsgronden. De rechtbank zal hierna de verschillende argumenten die eisers aanvoeren, bespreken en beoordelen.
Volledige heroverweging in bezwaar
6.3.
Het betoog van eisers, dat zij gebaat zijn bij een volledige en voldoende gemotiveerde heroverweging in het licht van alle aangevoerde bezwaargronden en dat deze ontbreekt in het bestreden besluit, slaagt niet. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat onvrede over de motivering die ten grondslag is gelegd aan de herroeping van een besluit onvoldoende reden is voor het aannemen van procesbelang. Als er geen belang meer bestaat, zoals de rechtbank hiervoor al overwogen heeft, bestaat er ook geen belang meer bij een beoordeling van de motivering van dat besluit. De wens van eisers om de vergunning op meerdere gronden (formeel en inhoudelijk) van tafel te krijgen en de toelichting dat zij meer waarde hechten aan de vernietiging van het primaire besluit door de bestuursrechter dan aan de intrekking door het college, betekent niet dat de bestuursrechter hierin een taak heeft. Deze is uitsluitend geroepen als er sprake is van een reëel en actueel belang, waarvan in dit geval geen sprake is nu de vergunning is herroepen. Omdat dat belang vervallen is hoeft de bestuursrechter geen uitspraak te doen alleen wegens de principiële betekenis daarvan. Eisers hebben daarom geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep.
Finale geschilbeslechting
6.4.
De rechtbank ziet in het betoog van eisers dat finale geschilbeslechting in het kader van mogelijke toekomstige vergunningaanvragen wenselijk is, geen reden voor het aannemen van procesbelang. Allereerst stelt de rechtbank vast dat van een geschil geen sprake meer is, nu de omgevingsvergunning alsnog is geweigerd zoals door eisers in hun bezwaar ook is nagestreefd. Daarnaast overweegt de rechtbank dat elke aanvraag op zijn eigen merites beoordeeld moet worden. Een eventuele nieuwe vergunningaanvraag kan met andere feiten en omstandigheden zijn omkleed dan de aanvraag uit 2022. Een juridisch oordeel in deze zaak heeft dus geen juridische binding voor eventuele toekomstige zaken. Bovendien is in geval van een nieuwe aanvraag ook sprake van een nieuw juridisch kader, omdat door de inmiddels inwerking getreden Omgevingswet andere grondslagen voor de beoordeling van toepassing zouden kunnen zijn.
Vaststellen strafbare gedragingen, onrechtmatigheden of nalatigheid voor (nabije) toekomst
6.5.
Eisers willen een inhoudelijk oordeel van de rechter over vermeende strafbare feiten gepleegd door de derde-partij en onrechtmatige of nalatige gedragingen door het college. Dit oordeel kan volgens eisers namelijk een rol spelen bij de behandeling van een toekomstige nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning.
6.6.
De rechtbank overweegt dat zij als bestuursrechter heeft te oordelen over de rechtmatigheid van besluiten en niet vaststelt of sprake is van vermeende strafbare feiten door een derde-partij of nalatigheid door het college.
Conclusie
7. Het beroep is niet-ontvankelijk omdat eisers geen procesbelang hebben. Dat betekent dat de rechtbank niet inhoudelijk op het beroepschrift van eisers zal ingaan en dat de formele en materiële beroepsgronden van eisers onbesproken blijven. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug en ontvangen ook geen vergoeding voor hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Zoals bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1o van de Wabo.
Zoals bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o van de Wabo.
Zoals bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o van de Wabo.
Op grond van art. 3.10 eerste lid, onder a van de Wabo.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:571 (r.o. 7) en van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3415 (r.o. 2.1).
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2555.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:703.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1391.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2109.
ECLI:NL:RVS:2020:2486.
ECLI:NL:CRVB:2021:244 en ECLI:NL:CRVB:2021:359.
Deze zaken zijn bekend onder de zaaknummers ARN 23/7962 respectievelijk ARN 24/5922.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:464.