Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2022-05-04
ECLI:NL:RBNNE:2022:1660
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,286 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 21/1593
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2022 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. B.H. Vader),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen, verweerder
(gemachtigde: A.G. Blokzijl).
Als derde-partij neemt aan het geding deel [derde-partij]
(gemachtigde: mr. A. Grollé).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser van 27 mei 2021.
1.1.
Gemachtigde van eiser heeft bij verweerder een verzoek ingediend om de adresgegevens van derde-partij op grond van de Wet basisregistratie personen (Brp) te verstrekken. Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 24 november 2020 geweigerd. Met het bestreden besluit van 20 april 2021 op het bezwaar van gemachtigde van eiser is verweerder bij de weigering van het verzoek gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Verweerder heeft een gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van dit stuk. De rechtbank heeft beslist dat, omdat het betreffende stuk de inzet vormt van het geschil, de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Eiser heeft ermee ingestemd dat de rechtbank ook op basis van dat stuk uitspraak doet.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 april 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomenieraan: gemachtigde van verweerder en de derde-partij. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank ziet zich eerst gesteld voor de vraag of eiser nog procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
2.1.
Voldoende procesbelang wordt aangenomen als het resultaat dat met de procedure wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de betrokkene van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser heeft verzocht om een uittreksel uit de Brp van de adresgegevens van de derde-partij vanwege het opstarten van een gerechtelijke procedure tegen haar. De rechtbank stelt verder vast dat de gemachtigde van derde-partij op 2 september 2021 heeft meegedeeld dat derde-partij woonplaats heeft gekozen op het adres van haar gemachtigde. De sommatie en dagvaarding kunnen volgens deze gemachtigde naar dit adres worden verzonden. Eiser heeft niet bestreden dat hij hierdoor niet langer een uittreksel uit het Brp nodig heeft om de procedure te starten. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom het procesbelang van eiser komen te vervallen.
2.3.
De rechtbank overweegt verder dat het nastreven van een principiële uitspraak evenmin procesbelang genereert.
2.4.
Voor zover eiser ten slotte stelt dat hij belang heeft bij de procedure omdat er in bezwaar ten onrechte geen proceskostenvergoeding is toegekend, overweegt de rechtbank dat hieruit geen procesbelang volgt nu eiser in bezwaar niet om vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten heeft verzocht.
Conclusie
3. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er aan de zijde van eiser geen procesbelang (meer) is. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. E.T. de Boer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, AbRvS, van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3415.
Zie bijvoorbeeld AbRvS 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:703.