Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-07
ECLI:NL:RBDHA:2024:1587
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,741 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.37522 en NL23.37524
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam 1] , eiser, V-nummer: [nummer] , en
[naam 2]
, eiseres, V-nummer: [nummer]
mede namens hun minderjarige kinderen [naam kind], [naam kind], [naam kind] en [naam kind]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).
Inleiding
In twee besluiten van 29 november 2023 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 januari 2024 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Via de telefoon heeft E. Tayeh als tolk aan de zitting deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
1. Eisers stellen te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] en [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben. Op 2 oktober 2023 hebben zij asiel aangevraagd in Nederland.
2. In de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eisers hebben eerder asiel aangevraagd in Kroatië. Daarom is Kroatië volgens verweerder verantwoordelijk voor de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvragen van eisers op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening). De autoriteiten van Kroatië hebben aan verweerder meegedeeld akkoord te zijn met terugname van eisers.
3. Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten. Zij voeren aan dat Nederland altijd het einddoel is geweest van hun reis. Ook zijn zij eerder in Kroatië slecht behandeld, hebben zij een broer/zwager in Nederland met wie zij een sterke band hebben, en er is sprake van medische problemen bij eiser en bij [naam kind] . Op grond van deze omstandigheden had verweerder hun asielaanvragen in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Ten slotte heeft verweerder deze omstandigheden ten onrechte niet opgenomen in het terugnameverzoek aan de Kroatische autoriteiten.
4. Op wat eisers hebben aangevoerd zal hierna verder worden ingegaan. De rechtbank zal het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers beoordelen aan de hand van de beroepsgronden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De lidstaten van de Europese Unie hebben in de Dublinverordening onder meer afgesproken dat de lidstaat waar een asielzoeker voor het eerst zijn asielaanvraag indient verantwoordelijk is voor de inhoudelijke beoordeling daarvan. De intentie van een asielzoeker om uiteindelijk in een andere lidstaat asiel aan te vragen of te verblijven, doet daarbij niet ter zake. Verweerder heeft dus de asielaanvragen van eisers niet in behandeling hoeven nemen op de grond dat het altijd hun doel was om naar Nederland te gaan.
6. Volgens recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraken van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411, en 2 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1, kan ten aanzien van Kroatië worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat eisers na overdracht aan Kroatië adequaat zullen worden behandeld. Alleen als eisers aannemelijk maken dat er in Kroatië sprake is van systematische tekortkomingen wordt dit anders. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
7. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat er in Kroatië sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen voor asielzoekers die op grond van de Dublinverordening worden overgedragen. De verklaringen van eisers over hun eerdere slechte ervaringen in Kroatië zijn daarvoor onvoldoende. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel brengt ook mee dat ervan uit moet worden gegaan dat de mogelijkheden voor medische behandeling in Nederland en Kroatië vergelijkbaar zijn. Eisers hebben onderbouwd dat eiser lijdt aan diabetes en dat [naam kind] last heeft (gehad) van koorts en keelpijn. Eisers hebben echter niet onderbouwd dat het in Kroatië niet mogelijk is om hiervoor behandeling te krijgen. Verder hebben eisers onvoldoende onderbouwd dat zij een sterke band hebben met hun broer/zwager in Nederland. Verweerder heeft er hierbij op kunnen wijzen dat zij al jaren gescheiden van elkaar leven. In deze omstandigheden heeft verweerder dus geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvragen van eisers in behandeling te nemen.
8. In de artikelen 31 en 32 van de Dublinverordening staat dat de overdragende lidstaat in het terugnameverzoek de gegevens moet opnemen waaruit blijkt dat de ontvangende lidstaat verantwoordelijk is. De verantwoordelijkheid van Kroatië vloeit in dit geval voort uit de eerdere asielaanvragen van eisers in Kroatië. De hiervoor onder 7 genoemde omstandigheden zien daar niet op, zodat verweerder die niet heeft hoeven opnemen in de terugnameverzoeken. Verweerder heeft hierbij terecht opgemerkt dat dit omstandigheden betreffen die volgens eisers hadden moeten leiden tot het in Nederland in behandeling nemen van hun asielaanvragen ondanks dat Kroatië verantwoordelijk is, en die dus ter beoordeling van Nederland staan.
Conclusie
9. De rechtbank komt tot de conclusie dat de beroepen ongegrond zijn. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eisers krijgen om die reden geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.