Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-03-04
ECLI:NL:RBDHA:2021:15486
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,581 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.2688
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. J.G. Wattilete),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. Sweerts).
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw L. Pomper. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:
1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
2. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist.
Voortvarendheid
3. Eiser voert aan dat verweerder de tijd die hij voorafgaand aan zijn vreemdelingrechtelijke inbewaringstelling in strafrechtelijke detentie heeft doorgebracht niet heeft gebruikt om een aanvang te maken met de voorbereiding van zijn voorgenomen verwijdering. Volgens eiser had verweerder een vertrekgesprek met hem kunnen voeren en had verweerder hem al bij de Italiaanse autoriteiten kunnen claimen op grond van de Dublinverordening. Aangezien verweerder dit niet heeft gedaan, heeft verweerder zich niet aan zijn inspanningsverplichting gehouden en heeft hij zijn verwijdering naar Italië onvoldoende voortvarend ter hand genomen, aldus eiser.
4. De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Eiser heeft direct voorafgaand aan de maatregel van bewaring vanaf 13 januari 2021 in strafrechtelijke detentie doorgebracht. Verweerder had gedurende de strafrechtelijke detentie een inspanningsverplichting om te voorkomen dat eiser na afloop daarvan in bewaring moest worden gesteld.3 Naar het oordeel van de rechtbank is het voor verweerder mogelijk geweest om in de periode van 13 januari 2021 tot en met 10 februari 2021 (in ieder geval) een vertrekgesprek met eiser te voeren en/of om een claim op grond van de Dublinverordening in gang te zetten. Verweerder heeft erkend dat hij geen enkele invulling heeft gegeven aan deze inspanningsverplichting. Door dit na te laten, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan zijn inspanningsverplichting.
6. Dit oordeel leidt er niet automatisch toe dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Bij het niet voldoen aan de inspanningsverplichting is er namelijk ruimte voor een belangenafweging.4 In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.
7. De vreemdeling heeft de gronden van de maatregel, waaronder de twee zware gronden onder 3a en 3b, niet bestreden. Deze gronden rechtvaardigen al het vermoeden dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daar komt bij dat verweerder onbestreden heeft aangevoerd dat eiser niet in het bezit is van een geldig identiteitsdocument en dat eiser zelf heeft verklaard dat hij zo’n document ook nooit heeft gehad. Deze omstandigheden, in combinatie met de relatief korte duur van de strafrechtelijke detentie, brengen de rechtbank tot het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding staan tot de ernst van het geconstateerde gebrek en de daardoor geschonden belangen.
8. Voor zover eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld tijdens de vreemdelingrechtelijke detentie, volgt de rechtbank dit niet. Verweerder heeft op 15
3 Paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
4 Zie in dit kader de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3663.
februari 2021 een vertrekgesprek gevoerd met eiser en er is op diezelfde dag een claimverzoek naar Italië verstuurd. Er zijn dus vier dagen na de inbewaringstelling vertrekhandelingen verricht. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
04 maart 2021
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.