Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-07-29
ECLI:NL:RBDHA:2021:8621
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,485 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.11688
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. Y.M. Schrevelius),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde (via videoverbinding). Als tolk is verschenen [naam tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser betoogt dat de termijn van ophouding is overschreden.
1.1.
De ophouding mag ingevolge artikel 50, derde lid, van de Vw niet langer duren dan zes uur, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens niet wordt meegerekend. De rechtbank stelt vast dat de ophouding van eiser heeft geduurd van 15 juli 2021 om 20:25 uur tot 16 juli 2021 om 12:40 uur. De maximum duur van zes uur is dan ook overschreden met 1 uur en 15 minuten. Volgens vaste jurisprudentie, zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 december 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AU9188), maakt de onrechtmatigheid van de ophouding en overbrenging de daaropvolgende inbewaringstelling slechts onrechtmatig, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
1.2.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen. De termijn van ophouding is met 1 uur en 15 minuten overschreden. Dat is geen geringe overschrijding. Volgens het proces-verbaal van gehoor had eiser last van stemmingswisselingen en verklaarde hij later tijdens het gehoor niet in staat te zijn om een verklaring af te leggen omdat zijn hoofd vol zat. Eiser was dusdanig in de war dat – volgens nog steeds datzelfde proces-verbaal – het gehoor is stilgelegd van 10:40 uur tot 10:55 uur, waarna dit om 11:02 uur hervat is. Ter zitting heeft eiser verklaard niet goed te functioneren als hij wordt opgesloten en dat de stress bij hem is opgelopen omdat hij vast zat. Daarnaast heeft eiser ter zitting verklaard dat hij in zijn belangen is geschaad, omdat hij nu langer op het politiebureau in een klein hokje heeft gezeten, terwijl hij in een detentiecentrum meer bewegingsvrijheid heeft. Deze verklaringen vindt de rechtbank gezien het hiervoor aangehaalde proces-verbaal niet onaannemelijk. Verweerder heeft geen zwaarwegende belangen gesteld. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de belangen gediend met de bewaring niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van de gebreken en de daardoor geschonden belangen.
1.3.
Het beroep van verweerder op de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3663) leidt niet tot een ander oordeel, omdat het in die zaak ging om een veel geringere overschrijding, namelijk van 18 minuten. Weliswaar is in beide zaken het gehoor aangevangen binnen de termijn van 6 uur, maar in het geval van eiser heeft het na afloop van het gehoor om 12:07 uur (om onduidelijke redenen) ook nog tot 12:40 uur geduurd voordat de maatregel van bewaring werd opgelegd.
2. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 29 juli 2021.
3. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 14 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 × € 130,- (verblijf politiecel) en 13 × € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.430,-.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 29 juli 2021;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.430,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, rechter, in aanwezigheid van J.G. Mierop, griffier.
De uitspraak is gedaan in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.