Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:9667
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,966 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23058
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2024 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de aan haar opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze maatregel is opgelegd op 3 juni 2024. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om het toekennen van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2024, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris eiseres in bewaring mocht stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. Het beroep is ongegrond. De maatregel van bewaring is rechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Was de aanhouding van eiseres verkapt vreemdelingenrechtelijk?
4. Eiseres betoogt dat haar aanhouding verkapt vreemdelingenrechtelijk was. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat de politie een melding kreeg van een ruzie in of bij een woning en dat de verloofde van eiseres daarna in deze woning is aangehouden, omdat daar harddrugs waren aangetroffen. Het valt volgens eiseres niet in te zien waarom aan haar is gevraagd zich te legitimeren. Eiseres was buiten de woning toen de politie aankwam en uit het proces-verbaal blijkt niet (duidelijk) waarom de politie met eiseres de woning in is gegaan en om welke redenen eiseres is gevraagd haar legitimatie te tonen. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de identiteit van eiseres (mede) is gecontroleerd ter uitoefening van de bevoegdheid uit artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. Dat kan alleen als sprake is van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, en dat was niet het geval. Een dergelijk vermoeden blijkt volgens eiseres niet uit het proces-verbaal en kan ook niet blijken uit de informatie die zij vóór de identiteitscontrole uit eigen beweging aan de politie heeft verstrekt. Zij stelt dan ook onrechtmatig staande te zijn gehouden.
4.1.
Dit betoog slaagt niet. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat de politie de melding kreeg dat de onderbuurvrouw van de melder hard schreeuwde en dat er werd geslagen. Vóórdat de verbalisanten bij de woning aankwamen, hoorden zij dat de vrouw naar buiten was gegaan en dat de woning vermoedelijk werd gebruikt als plaats waar prostitutie plaatsvindt. Toen de verbalisanten aankwamen, zagen zij naast de betreffende woning een vrouw in een kort strak shirt en een strakke spijkerbroek op een bankje zitten. Een van de verbalisanten heeft deze vrouw, die later eiseres bleek te zijn, daarop naar haar legitimatiebewijs gevraagd. Hierop verklaarde zij dat haar paspoort in Arnhem lag. Later – nadat de verloofde van eiseres in de woning was aangehouden – is de verbalisant met eiseres de woning ingelopen en haalde eiseres uit een tas haar paspoort tevoorschijn. Eiseres is vervolgens aangehouden voor overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. De vordering om een legitimatiebewijs te tonen en de aanhouding van eiseres zijn dus gedaan ter uitoefening van de algemene politietaak en hebben dan ook een strafrechtelijke aanleiding. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de vordering om een legitimatiebewijs te tonen (mede) een vreemdelingenrechtelijke achtergrond had. Omdat de rechtbank in deze procedure alleen oordeelt over het gebruik van bevoegdheden toegekend bij of krachtens de Vw 2000, mag zij niet oordelen over de vraag of de vordering om een legitimatiebewijs te tonen of de daarop gevolgde aanhouding wegens overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht rechtmatig was.
Is de ophouding van eiseres rechtmatig?
5. Eiseres betoogt dat zij onrechtmatig is opgehouden. Eiseres wijst erop dat een ophouding maximaal zes uur mag duren, en dat deze termijn in haar geval met vijftien minuten is overschreden. De redenen hiervoor kunnen de overschrijding niet rechtvaardigen, nu de wetgever bewust een bepaalde termijn heeft ingeruimd voor het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling. Hierdoor is de bewaring volgens eiseres onrechtmatig.
5.1.
Dit betoog slaagt, maar leidt niet tot onrechtmatigheid van de bewaring. Eiseres brengt terecht naar voren – en de staatssecretaris heeft dat ook niet betwist – dat de ophoudingstermijn is overschreden. Dit leidt echter pas tot onrechtmatigheid van de bewaring als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. In dit geval weegt de ernst van het gebrek niet op tegen de belangen die met de maatregel van bewaring gediend zijn. De rechtbank weegt in dat verband mee dat slechts sprake is van een geringe overschrijding van de termijn en dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling binnen de ophoudingstermijn is begonnen. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat eiseres gedurende de ophoudingstermijn naar Borne moest worden overgebracht, omdat in Arnhem geen aangewezen ambtenaar beschikbaar was. De stelling van eiseres dat de overbrenging naar Borne niet nodig was en dat het gehoor ook in Arnhem had kunnen worden afgenomen, vindt de rechtbank – gelet hierop – niet houdbaar. Eiseres heeft hiertegenover slechts gesteld dat zij hiv-medicatie neemt en een hormoonbehandeling ondergaat, maar dat weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de belangen van de staatssecretaris bij de inbewaringstelling van eiseres. Bovendien heeft eiseres niet gesteld dat zij als gevolg van haar hiv-medicatie en hormoonbehandeling detentieongeschikt is (zie ook hierna onder 8.1). De belangenafweging valt daarom uit in het voordeel van de staatssecretaris.
Heeft eiseres te lang in een politiecel verbleven?
6. Eiseres betoogt dat zij te lang in een politiecel heeft verbleven. Zij is op 2 juni 2024 om 22:45 uur opgehouden en overgenomen, en op 3 juni 2024 overgebracht naar het arrestantencomplex in Borne, waar zij rond 10:35 uur is aangekomen. Pas op 4 juni 2024 in de middag is zij aangekomen in het detentiecentrum in Zeist. Eiseres heeft dus twee nachten doorgebracht in een politiecel, terwijl plaatsing in een politiecel in de regel niet langer dan 24 uur mag duren. De bewaring is hierdoor vanaf het moment van opleggen onrechtmatig.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. Een maatregel van bewaring wordt in beginsel ten uitvoer gelegd in een speciale inrichting voor vreemdelingenbewaring. Uit de rechtspraak volgt dat plaatsing in een politiecel in elk geval voor 24 uur is toegestaan om vervoer naar deze speciale inrichting te regelen. De staatssecretaris wijst er terecht op dat deze termijn van 24 uur begint te lopen op het moment dat de vreemdeling in bewaring is gesteld. Eiseres is op 3 juni 2024 om 14:00 uur in bewaring gesteld en uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt dat zij op 4 juni 2024 om 13:30 uur is aangekomen in het detentiecentrum in Zeist. Eiseres heeft dus gedurende haar inbewaringstelling minder dan 24 uur in een politiecel verbleven, waardoor de bewaring dus niet om deze reden onrechtmatig is.
Had de belangenafweging in het voordeel van eiseres moeten uitvallen?
7. Eiseres betoogt dat de belangenafweging in haar voordeel had moeten uitvallen en dat de staatssecretaris daarom niet had mogen overgaan tot een inbewaringstelling. Eiseres heeft tijdens het gehoor herhaaldelijk verklaard aangifte te willen doen van mensenhandel en hiervan concrete bewijzen te hebben. De staatssecretaris had de prioriteit daarom niet moeten leggen bij een inbewaringstelling, maar bij het opnemen van de aangifte en het geven van bedenktijd, zodat eiseres rechtmatig verblijf had verkregen. Door dat niet te doen, is de bewaring onrechtmatig.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. Aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel wordt al bij de geringste aanwijzing van mensenhandel een bedenktijd van maximaal drie maanden aangeboden, waarbinnen zij moeten beslissen of zij aangifte willen doen. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling volgt, anders dan eiseres stelt, niet dat zij of haar gemachtigde tijdens dit gehoor hebben aangedrongen op het opnemen van een aangifte wegens mensenhandel.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel van bewaring in stand blijft. Het verzoek om schadevergoeding wijst de rechtbank daarom af.
10.1.
Omdat de rechtbank onder 5.1 een gebrek in de ophouding heeft geconstateerd, moet de staatssecretaris de proceskosten van eiseres vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.750, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.750.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 8 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2400, r.o. 1.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 31 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2918, r.o. 2.
Vergelijk ABRvS 18 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2035, r.o. 1.1; ABRvS 29 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3663, r.o. 3.1.
Zie het proces-verbaal van bevindingen van 7 juni 2024.
Eiseres wijst op ABRvS 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3290.
Dat volgt uit artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.
ABRvS 28 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2181, r.o. 3. Zie ook ABRvS 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3290, r.o. 1.1; ABRvS 13 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1813, r.o. 4.2.
Vergelijk ABRvS 28 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2181, r.o. 4.
Eiseres wijst in dit verband op paragraaf B8/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
Dat volgt uit paragraaf B8/3.1 van de Vc 2000.
Vergelijk ABRvS 24 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:213, r.o. 6.1, met verwijzing naar ABRvS 15 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL4570, r.o. 2.1.3.
Zie voetnoot 10.
ABRvS 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2795, r.o. 7, met verwijzing naar ABRvS 10 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8075, r.o. 2.1.2.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.