Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-19
ECLI:NL:RBAMS:2025:4260
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,661 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/098547-25
Datum uitspraak: 19 juni 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 7 april 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 november 2024 door the Public Prosecutor's Office attached to the Juvenile Court of Bologna, Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 2000,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 juni 2025, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J. Verstegen, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Italiaanse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij onder meer de Italiaanse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:
I. Judgment delivered by the Juvenile Court of Bologna on 18.04.2018 , No. 145/18, R.G. 13/18, R.N.R., 1049/17, final on 05.10.2018;
II. Judgment delivered by the Juvenile Court of Bologna on 18/09/2019, No. 319/19, R.G. 218/19, R.N.R. 1805/2016, final on 14.12.2019;
III. Judgment delivered by the Juvenile Court of Bologna on 18/12/2019, No. 443/19, R.G. 194/18, R.N.R. 1753/2017, final on 05/07/2020;
IV. Judgment delivered by the Juvenile Court of Bologna on 09/05/2023, No. 110/23, R.GUP 319/23, upheld by a judgment delivered by the Court of Appeal of Bologna - Juvenile Division - on 09/11/2023 No. 55.23, R.G. 0042/23, RNR 2513/2016, final on 28/12/2023.
In de aanvullende informatie van 16 mei 2025 is het overleveringsverzoek ten aanzien van vonnis IV ingetrokken. De rechtbank zal daarom alleen het overleveringsverzoek ten aanzien van vonnissen I tot en met III beoordelen.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar met aftrek van vier dagen voorarrest en een geldboete van € 900,- (vonnis I), één jaar en 15 dagen en een geldboete van € 400,- (vonnis II), één jaar en een geldboete van € 400,- (vonnis III), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen en geldboetes zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen I, II en III.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat ten aanzien van vonnis I de overlevering alleen kan worden toegestaan indien de opgeëiste persoon het recht heeft op een nieuw proces, maar dat onduidelijk is hoe de verzetgarantie moet worden gelezen. Hierover dienen nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit worden gesteld.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat met de verstrekte informatie reeds duidelijk is geworden dat de gegeven verzetgarantie voor vonnis I niet onvoorwaardelijk is, maar dat van toepassing van de weigeringsgrond kan worden afgezien. Bij vonnis II en III doet zich volgens de officier van justitie de situatie van artikel 12, sub b, OLW voor, waardoor de weigeringsgrond van artikel 12 OLW voor die vonnissen niet van toepassing is.
De rechtbank overweegt als volgt.
Vonnis I
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d):
3.4
the person was not personally served with the decision, but
- the person will be person personally served with this decision without delay after the surrender,
- when served with the decision, the person will be expressly informed of his right to a retrial or appeal, in which he has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined and which may lead to the original decision being reversed; and
- the person will be informed of the timeframe within which he has to request a retrial or appeal, which will be 30 days.
In de aanvullende informatie van G. Di Giorgio, Chief Public Prosecutor at the Juvenile Court of Bologna van 16 mei 2025 staat:
(…)
The right to a retrial or to an appeal is granted in accordance with the provisions of article 175 of Italian Criminal Procedure Code, which provides, for defendants convicted in absentia, for the right to reinstatement of procedural time limits (‘rimessione in termini’,
relief from time bar) in order to lodge an appeal, unless the defendant had voluntarily waived it or there is evidence that he had had actual knowledge of the ongoing trial. Specifically, paragraph 2-bis of art. 175 c.p.p. states that the request to be relieved from time bars must be lodged within a period of thirty days, running from the day of the surrender in Italy. Therefore, the person convicted ‘at large’ has the right to obtain the renewal of the trial in his presence, remaining reserved to the Italian judge the power to assess the recurrence of the conditions of domestic law for the acceptance of the request.
(…)
Gelet op het bovenstaande voldoet de gegeven verzetgarantie niet aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW. Immers, in artikel 175 van het Italiaanse Wetboek van Strafvordering staat dat een verdachte hoger beroep of verzet kan in stellen, tenzij hij daadwerkelijk kennis heeft gehad van de procedure of beslissing en hij vrijwillig heeft afgezien van het recht om te verschijnen of een rechtsmiddel aan te wenden.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Public Prosecutor's Office attached to the Juvenile Court of Bologna (Italië) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 juni 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
De overlevering kan ook worden gevraagd voor de tenuitvoerlegging van geldboetes die naast een vrijheidsbenemende straf zijn opgelegd, zie Rechtbank Amsterdam d.d. 19 augustus 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:14471).
Zie onderdeel e) van het EAB.
Vergelijk rechtbank Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3307.
ECLI:NL:RBAMS:2025:3475.
Inleiding
Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat hierbij de bewijsplicht op de opgeëiste persoon rust, zodat geenszins vaststaat dat een verzoek tot verzet door de rechter zal worden ingewilligd. Daarmee is op dit moment geen sprake van een onvoorwaardelijke verzetgarantie.
De overlevering kan daarom worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit voornoemde aanvullende informatie blijkt het volgende. De opgeëiste persoon moest gedurende zijn voorarrest op grond van een custody order van de Italiaanse onderzoeksrechter verblijven in een Community Center. Hij is echter op de tweede dag van zijn voorarrest gevlucht en was daarna onvindbaar. De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van de verdenking tegen hem, maar heeft zich onttrokken aan de custody order.
Gelet hierop heeft de opgeëiste persoon kennelijk uit eigen beweging stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces. De enkele stelling van de opgeëiste persoon dat hij vrij was om weg te gaan en niet is gevlucht, is onvoldoende om niet uit te gaan van de verstrekte aanvullende informatie. Overlevering leidt om die reden niet tot een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.
Vonnis II
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich de omstandigheid van artikel 12, sub b, OLW heeft voorgedaan. In het EAB staat dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces en dat hij een gemachtigd advocaat had die hem tijdens het proces daadwerkelijk heeft verdedigd. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Vonnis III
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich de omstandigheid van artikel 12, sub b, OLW heeft voorgedaan. In het EAB staat dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces en dat hij een gemachtigd advocaat had die hem tijdens het proces daadwerkelijk heeft verdedigd. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
4Strafbaarheid
4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten 1, 2, 3 (voor zover dit ziet op de diefstal), 4 tot en met 6 aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van deze feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het geweldscomponent van feit 3 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
mishandeling.
5Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat wanneer de algemene garanties ook ten aanzien van de opgeëiste persoon gelden, de detentieomstandigheden geen beletsel voor overlevering vormen.
De rechtbank wijst op haar uitspraak van 27 mei 2025, waarin is geoordeeld dat niet langer een reëel gevaar wordt aangenomen dat personen die in (bepaalde detentiecentra in) Italië zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld in verband met de detentieomstandigheden. Een detentiegarantie is dus niet nodig.