Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-03
ECLI:NL:RBAMS:2025:4109
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,100 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/328408-24
Datum uitspraak: 3 juni 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 24 oktober 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 oktober 2024 door the Office of the Prosecutor attached to the Court of Verona, Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Voor het procesverloop tot aan de in deze zaak gewezen tussenuitspraak van 19 maart 2025 verwijst de rechtbank naar overweging 1 van die tussenuitspraak.
Tussenuitspraak 19 maart 2025
Op 19 maart 2025 is een tussenuitspraak gedaan waarbij de rechtbank nieuwe, aangepaste, vragen heeft gesteld betreffende de detentieomstandigheden in Italiaanse detentiecentra, het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd heeft geschorst en opnieuw de termijn op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen heeft verlengd en de gevangenneming gelijktijdig, op grond van artikel 27, derde lid, OLW, met dertig dagen heeft verlengd.
Zitting 24 april 2025
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 24 april 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om bij de zitting aanwezig te zijn. De gemachtigd raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort is wel verschenen.
De zaak is aangehouden tot 3 juni 2025 omdat nog geen nieuwe informatie is ontvangen. De beslistermijn is op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW verlengd met 30 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 3 juni 2025
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 3 juni 2025, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort en door een tolk in de Italiaanse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Italiaanse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak
De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 19 maart 2025 reeds
is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW en de dubbele strafbaarheid van de feiten. Hetgeen de rechtbank met betrekking tot die onderwerpen heeft overwogen kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Italië
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 11 OLW. Overlevering van de opgeëiste persoon zal, gelet op de overbevolking en het hoge percentage zelfmoorden in Italiaanse detentiecentra, leiden tot een schending van artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).
Het standpunt van de officier van justitie
Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 27 mei 2025, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake meer is van een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten van personen die na overlevering in Italië zullen worden gedetineerd.
Beoordeling
Hetgeen de rechtbank bij het proces verbaal van 7 januari 2025 en de tussenuitspraak van 19 maart 2025 ten aanzien van de detentieomstandigheden heeft overwogen, dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
In haar tussenuitspraak van 19 maart 2025 heeft de rechtbank de volgende vragen gesteld:
1. De rechtbank heeft acht geslagen op een zorgwekkend rapport van Antigone (Italian Prisons Burst) gepubliceerd in oktober 2024 dat steun en deels bevestiging vindt in gegevens van het CPT met betrekking tot high-level talks tussen de President van het CPT en de Italiaanse Minister van Justitie. Gelden de geconstateerde problemen die voortkomen uit een groeiende overbevolking (te weten negatieve gevolgen voor living conditions, the provision of regime, violence and relations with staff met als extreem symptoom van deze crisis een spike in the number of suicides of both prisoners and staff in 2024) voor bepaalde detentie-instellingen of voor alle instellingen in Italië? In hoeverre zijn de hiervoor benoemde problemen actueel? De rechtbank verneemt graag welke maatregelen in dat kader zijn genomen sinds eind oktober 2024.
2. Voor het geval de geconstateerde problemen nog wel actueel zijn voor bepaalde instellingen: om welke instellingen gaat het? Kan gegarandeerd worden dat de opgeëiste persoon niet in een detentie-instelling wordt geplaatst waar deze problematiek speelt? Kan dit in algemenere zin worden gegarandeerd voor opgeëiste personen die door Nederland worden overgeleverd?
De rechtbank stelt vast dat de vragen die in de zaak van de opgeëiste persoon aan de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn voorgelegd, ook in andere Italiaanse overleveringszaken zijn gesteld. In één van deze zaken heeft de rechtbank op 27 mei 2025 uitspraak gedaan. In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op de antwoorden van de Italiaanse autoriteiten en de overige beschikbare informatie in die zaak, niet langer sprake is van (voldoende) objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op grond waarvan een algemeen reëel gevaar kan worden aangenomen dat personen die in Italië zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld in verband met detentieomstandigheden in Italiaanse detentie-instellingen.
De detentieomstandigheden staan daarom niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 180, 266, 267 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de the Office of the Prosecutor attached to the Court of Verona in Italië voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en A.L. op ’t Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 juni 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
ECLI:NL:RBAMS:2025:1760
ECLI:NL:RBAMS:2025:3475.
https://www.antigone.it/upload/Le_carceri_scoppiano_EN.pdf
ECLI:NL:RBAMS:2025:3475.
ECLI:NL:RBAMS:2025:3475, r.o. 4.