Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-03
ECLI:NL:RBAMS:2025:2120
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,633 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/2079
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] (Polen), eiseres
(gemachtigde: mr. M.B. Chylinska),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
In het besluit van 6 mei 2020 (primair besluit) heeft het UWV de uitkering op grond van de Ziektewet (Zw-uitkering) van eiseres beëindigd per 7 juni 2020.
Met het besluit van 8 maart 2022 op het bezwaar van eiseres (bestreden besluit) is het UWV bij dat besluit gebleven.
Eiseres heeft tegen bestreden besluit beroep ingesteld.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 29 februari 2024 op zitting behandeld. Eiseres heeft (via een videoverbinding) deelgenomen aan de zitting. Verder waren aanwezig de gemachtigde van eiseres, E.K. Osuch als tolk in de Poolse taal en de gemachtigde van het Uwv.
In de tussenuitspraak van 4 april 2024 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het UWV in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Het UWV heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres op de datum in geding gedurende één uur kon zitten, terwijl de reumatoloog van eiseres zegt dat zij maar maximaal vijftien minuten kan zitten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de reumatoloog eiseres fysiek heeft gezien en onderzocht, terwijl de verzekeringsartsen zich hebben beperkt tot een spreekuur via een beeldverbinding. Naar het oordeel van de rechtbank had in dit geval in de bezwaarfase – gelet op wat eiseres heeft aangevoerd en gelet op de informatie van de behandelend reumatoloog – alsnog lichamelijk onderzoek tijdens een fysiek spreekuur moeten plaatsvinden.
2.1.
De rechtbank heeft het UWV daarom in de tussenuitspraak opgedragen nader onderzoek te verrichten naar de belastbaarheid van eiseres per 7 juni 2020 en die belastbaarheid nader te onderbouwen.
3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft verzekeringsarts [naam] eiseres op 14 augustus 2024 op een spreekuur in Polen lichamelijk en psychisch onderzocht. In het rapport van 20 september 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de bevindingen bij dit onderzoek geen aanleiding geven de belastbaarheid van eiseres per datum in geding aan te passen. Met name kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep, op basis van de beschikbare medische gegevens en het lichamelijk onderzoek, niet gesteld worden dat eiseres op datum in geding medisch niet in staat was om een uur achtereen te zitten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat daarbij rekening gehouden moet worden met de definitie en het beoordelingskader van ‘zitten’ in het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Daaruit volgt dat zitten, zoals bedoeld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet wordt onderbroken door afwisseling van zithouding (verzitten, rug strekken of uitrekken). De aaneengesloten duur wordt pas als onderbroken beschouwd, als er substantieel andere activiteiten worden ondernomen. Een secretaresse die even opstaat om een ordner te pakken, onderbreekt daarmee het zitten niet. Verder wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop dat de reumatoloog zijn conclusies heeft gebaseerd op een anamnese (vraaggesprek met eiseres waarin zij aangeeft welke subjectieve klachten en belemmeringen zij ervaart) en observaties van het spontane loop- en bewegingspatroon. De reumatoloog heeft geen bevindingen beschreven met betrekking tot bijvoorbeeld kracht, bewegingsonderzoek, reflexen en sensibiliteit en andere objectieve onderzoeksgegevens ontbreken. Eiseres heeft geen informatie van de behandelend sector overgelegd waaruit blijkt dat zij vanwege ernstige pathologie van de wervelkolom een specialistische, invasieve behandeling heeft gekregen, zoals een operatie, of waaruit anderszins blijkt dat sprake is van evidente pathologie. Daarvoor heeft verzekeringsarts [naam] bovendien ook geen aanwijzingen gevonden bij het onderzoek in Polen. Bij gebreke van onderzoeksgegevens waaruit ernstige pathologie van het bewegingsapparaat blijkt, kan niet worden geconcludeerd dat een specifieke arbeidsbeperking op het beoordelingspunt zitten (tijdens werk) van 15 minuten moet worden aangenomen, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
4. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
5. De rechtbank is van oordeel dat het UWV, door eiseres alsnog op een spreekuur te onderzoeken en met de gegeven toelichting in het rapport van 20 september 2024, uitvoering heeft gegeven aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Hierdoor is alsnog sprake van een zorgvuldig medisch onderzoek en is het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld.
5.1.
Op basis van de bevindingen van verzekeringsarts [naam] en de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de gestelde beperking ten aanzien van ‘zitten’. Rekening houdende met de definitie en het interpretatiekader in het CBBS, kan die aanleiding ook niet worden gevonden in de brief van de reumatoloog, nu onduidelijk is waarop de reumatoloog zijn stelling baseert. Verder is de stelling van de reumatoloog dat eiseres niet in staat is om te werken, niet geconcretiseerd met specifieke beperkingen die in het algemeen aan werken in de weg zouden staan. Zonder deze onderbouwing is er onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerde conclusie van de verzekeringsartsen dat bij eiseres geen sprake is van geen (duurzaam) benutbare mogelijkheden. Ten slotte heeft eiseres niet met medische gegevens onderbouwd dat zij niet in staat zou zijn om 300 keer per uur te buigen en lasten van 15 kilo te hanteren, zodat er ook geen aanleiding is om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep – na het lichamelijk onderzoek van 14 augustus 2024 – de beperkingen van eiseres op deze punten heeft onderschat.
6. Eiseres heeft geen specifieke beroepsgronden aangevoerd tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
7. Nu pas na de tussenuitspraak sprake is van een voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd besluit, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het UWV in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het UWV moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.814,-.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen (https://mijn.rechtspraak.nl/keuze)” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
Het CBBS wordt door het UWV gebruikt bij het vaststellen van het arbeidsongeschiktheidspercentage en bevat beschrijvingen van duizenden functies met informatie over de uit te voeren taken, het aantal werkuren, de vereiste opleiding en werkervaring en de werkbelasting.