Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-10-21
ECLI:NL:RBAMS:2025:7727
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,816 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/2833
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 oktober 2025 in de zaak tussen
[eisers] , uit [woonplaats 1] , eisers
(gemachtigde: mr. B.B. van Vliet),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Schölvinck).
Als derde-partij neemt aan het geding deel [vergunninghouder] uit [woonplaats 2]
(vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. A.I. Tscheichvili).
Procesverloop
Met een besluit van 12 mei 2020 heeft verweerder vergunninghouder een vergunning
verleend voor het onttrekken van woonruimte ten behoeve van een bed & breakfast (B&B)
op het adres [adres] [huisnummer 1] in Amsterdam (onttrekkingsvergunning).
Met een besluit van 11 juni 2020 heeft verweerder de onttrekkingsvergunning gewijzigd en
verleend met toepassing van overgangsrecht.
Op 3 juli 2020 en 7 juli 2020 heeft verweerder (abusievelijk) inhoudelijk gelijke besluiten genomen als dat van 11 juni 2020.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen voornoemde besluiten.
In het besluit van 4 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van
eisers, met uitzondering van de bezwaargrond over de toepasselijkheid van het overgangsrecht, ongegrond verklaard. Verweerder baseert zich hierbij op het advies van de
bezwaarschriftencommissie. Verweerder heeft het besluit van 12 mei 2020 in stand gelaten
en de besluiten van 11 juni 2020, 3 juli 2020 en 7 juli 2020 ingetrokken.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Ook vergunninghouder heeft een schriftelijke reactie op het beroep ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn
verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en zijn kantoorgenoot mr. N.M. Dik.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
In de tussenuitspraak van 25 maart 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak op 9 mei 2025 een aanvullende motivering ingediend (de herstelpoging). Eisers hebben hier op 30 juni 2025 op gereageerd. Vergunninghouder heeft op 5 september 2025 een reactie ingediend.
Naar het oordeel van de rechtbank kan een nadere zitting achterwege blijven. Daarom heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat het bestreden besluit op het punt van het hoofdverblijf onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd is. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek te herstellen.
Termijn herstelpoging
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder de herstelpoging pas na de door de rechtbank gestelde termijn heeft overgelegd. Anders dan eisers betogen ziet de rechtbank daarin echter geen aanleiding om de aanvullende motivering in haar einduitspraak buiten beschouwing te laten. De in de tussenuitspraak gestelde termijn betreft geen fatale termijn, maar een termijn van orde.
Relativiteitsvereiste
4. Verweerder heeft zich in de herstelpoging op het standpunt gesteld dat het criterium met betrekking tot hoofdverblijf niet strekt tot bescherming van de belangen van eisers, zodat niet wordt voldaan aan het relativiteitsvereiste en het beroep van eisers voor wat betreft de grond over het hoofdverblijf niet-ontvankelijk is. Volgens verweerder is de voorwaarde van het hoofdverblijf gesteld in het belang van bescherming van de woningvoorraad en niet ter bescherming van de belangen van omwonenden, zoals eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij stellen dat de norm strekt tot bescherming van leefbaarheid in woonwijken, omdat wijzigingen in de bewoning ruimtelijk relevant zijn voor het woon- en leefmilieu van de omgeving.
5. De rechtbank overweegt dat uit artikel 8:69a van de Awb volgt dat de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel vernietigt, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Daarbij gaat het erom dat een regel onmiskenbaar niet geschreven is ter bescherming van het belang van de betrokkene. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de eis van het hoofdverblijf kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van eisers. Uit de algemene toelichting op de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Hvv), paragraaf 3.1, volgt dat een onttrekkingsvergunning kan worden geweigerd in het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Bescherming van die belangen kan, aldus de toelichting, behalve vanwege bestaande of dreigende schaarste ook om andere redenen, zoals de leefbaarheid, wenselijk zijn. De rechtbank leidt hieruit af dat de leefbaarheid ook een rol speelt bij het al dan niet verlenen van onttrekkingsvergunningen, zodat de regels daarover er ook zijn ter bescherming van omwonenden, zoals eisers. Er is daarmee niet voldaan aan het criterium van artikel 8:69a van de Awb, namelijk dat de regels in de Hvv over de onttrekkingsvergunning onmiskenbaar (“kennelijk”) niet strekken tot bescherming van eisers. De beroepsgrond van eisers stuit daarom niet af op het relativiteitsvereiste.
Hoofdverblijf
6. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak ook al heeft overwogen is één van de voorwaarden voor een onttrekkingsvergunning dat de bewoner de woonruimte waarin hij de B&B wil vestigen, als hoofdverblijf heeft en in de basisregistratie personen (Brp) op dat adres staat ingeschreven. Volgens de Hvv is ‘hoofdverblijf’ het adres waar iemand de afgelopen twaalf maanden overheersend verbleef, zijnde ten minste 183 nachten, en waar het centrum van diens levensbelangen ligt. Dit minimaal aantal nachten mag versnipperd zijn.
7. Niet in geschil is dat de periode van 22 maart 2019 tot 22 maart 2020 geldt als referteperiode om te bepalen of vergunninghouder op het moment van de aanvraag de woning waarin de B&B is gevestigd als haar hoofdverblijf had.
8. In de herstelpoging stelt verweerder zich op het standpunt dat vergunninghouder aan deze voorwaarde voldoet. Vergunninghouder staat vanaf 24 december 2018 ingeschreven (als huurder) op [adres] [huisnummer 2] en later, per 2 maart 2020, als eigenaar op [adres] [huisnummer 1] (waarbij [adres] [huisnummer 1] , [huisnummer 2] en [huisnummer 3] toen waren samengevoegd tot [adres] [huisnummer 1] ). Vergunninghouder woont er nog steeds. De onttrekkingsvergunning is verleend omdat vergunninghouder op het adres stond ingeschreven. Nader onderzoek wordt, aldus verweerder, niet gedaan.
9. In reactie hierop hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat verweerder voorbijgaat aan de cumulatieve voorwaarden voor een onttrekkingsvergunning ten behoeve van een B&B, namelijk dat de exploitant van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft de woonruimte als hoofdverblijf heeft én in de Brp op het adres van de woonruimte staat ingeschreven.
10. De rechtbank volgt eisers hierin en is van oordeel dat het enkel lang genoeg ingeschreven staan in de Brp onvoldoende is om te voldoen aan het hoofdverblijfcriterium. Artikel 3.3.7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hvv kent cumulatieve voorwaarden, de aanvrager moet ook voldoen aan het criterium van hoofdverblijf.
11. Subsidiair stelt verweerder zich in de herstelpoging op het standpunt dat vergunninghouder ook aan de voorwaarde van het hoofdverblijf voldoet. Vergunninghouder heeft verklaard eind juni/in de zomer van 2019 de woning te hebben betrokken. Daarna zijn er nog verbouwingen geweest. Volgens verweerder maakt een periode van verbouwing niet dat het centrum van de levensbelangen van een betrokkene niet meer op het adres zou zijn. Zo bestaat er ook geen verplichting om zich uit te schrijven uit de Brp indien een betrokkene een periode tijdelijk niet op zijn adres kan verblijven. Volgens verweerder heeft vergunninghouder in de referteperiode in ieder geval bijna negen maanden op het adres van de B&B haar hoofdverblijf gehad.
12. Eisers brengen hiertegen in dat de woning van 20 februari 2019 tot en met (ten minste) 20 december 2019 grotendeels onbewoonbaar was vanwege de verbouwing. De afschouw vond pas op 6 februari 2020 plaats, waardoor feitelijke bewoning daaraan voorafgaand in ieder geval niet mogelijk was. Verder wijzen eisers erop dat vergunninghouder zelf heeft gesteld dat zij niet eerder dan eind juni 2019 in de woning is komen wonen. Ook gelet daarop kan het vereiste aantal van tenminste 183 nachten verblijf in de referteperiode feitelijk niet gehaald zijn.
13. De rechtbank overweegt dat de verbouwing duurde tot 20 december 2019 (melding einde werkzaamheden). Het standpunt van eisers dat de verbouwing pas afgerond was op de datum van de afschouw, 6 februari 2020, volgt de rechtbank niet. De afschouw is immers slechts een controle van de gemeente op de melding dat de werkzaamheden zijn afgerond. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat vergunninghouder in elk geval vanaf 20 december 2019 tot 22 maart 2020 (het einde van de referteperiode) haar hoofdverblijf op het adres heeft gehad.
13. Voor wat betreft de periode voor 20 december 2019 overweegt de rechtbank het volgende. Nu vergunninghouder zelf heeft verklaard pas eind juni 2019 op het adres is komen wonen, heeft zij vóór deze datum in ieder geval geen hoofdverblijf op het adres gehad. Vergunninghouder heeft verklaard dat zij vanaf juni 2019 af en aan in de woning verbleef, voor zover de werkzaamheden dit toelieten. Weliswaar is niet exact duidelijk hoeveel nachten zij in de woning heeft verbleven, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om eraan te twijfelen dat dit, samen met de nachten in de periode 20 december 2019 tot 22 maart 2020, ten minste het vereiste aantal nachten is geweest om in totaal te voldoen aan de eis van 183 nachten in de referteperiode.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzitter, en mr. S.D. Arnold enmr. T.L. Fernig-Rocour, leden, in aanwezigheid van mr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
Het criterium in artikel 3.3.7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingsverordening 2020 (Hvv).
Zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 4.5.
De versie geldend van 01-01-2020 t/m 30-06-2020.
Getiteld: Waarom regels met betrekking tot de woonruimtevoorraad?
Artikel 3.3.7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hvv.
Artikel 1, aanhef en onder j, van de Hvv.
Dit volgt uit de toelichting op artikel 1, aanhef en onder j, van de Hvv.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/2833
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 oktober 2025 in de zaak tussen
[eisers] , uit [woonplaats 1] , eisers
(gemachtigde: mr. B.B. van Vliet),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Schölvinck).
Als derde-partij neemt aan het geding deel [vergunninghouder] uit [woonplaats 2]
(vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. A.I. Tscheichvili).
Procesverloop
Met een besluit van 12 mei 2020 heeft verweerder vergunninghouder een vergunning
verleend voor het onttrekken van woonruimte ten behoeve van een bed & breakfast (B&B)
op het adres [adres] [huisnummer 1] in Amsterdam (onttrekkingsvergunning).
Met een besluit van 11 juni 2020 heeft verweerder de onttrekkingsvergunning gewijzigd en
verleend met toepassing van overgangsrecht.
Op 3 juli 2020 en 7 juli 2020 heeft verweerder (abusievelijk) inhoudelijk gelijke besluiten genomen als dat van 11 juni 2020.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen voornoemde besluiten.
In het besluit van 4 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van
eisers, met uitzondering van de bezwaargrond over de toepasselijkheid van het overgangsrecht, ongegrond verklaard. Verweerder baseert zich hierbij op het advies van de
bezwaarschriftencommissie. Verweerder heeft het besluit van 12 mei 2020 in stand gelaten
en de besluiten van 11 juni 2020, 3 juli 2020 en 7 juli 2020 ingetrokken.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Ook vergunninghouder heeft een schriftelijke reactie op het beroep ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn
verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en zijn kantoorgenoot mr. N.M. Dik.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
In de tussenuitspraak van 25 maart 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak op 9 mei 2025 een aanvullende motivering ingediend (de herstelpoging). Eisers hebben hier op 30 juni 2025 op gereageerd. Vergunninghouder heeft op 5 september 2025 een reactie ingediend.
Naar het oordeel van de rechtbank kan een nadere zitting achterwege blijven. Daarom heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat het bestreden besluit op het punt van het hoofdverblijf onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd is. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek te herstellen.
Termijn herstelpoging
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder de herstelpoging pas na de door de rechtbank gestelde termijn heeft overgelegd. Anders dan eisers betogen ziet de rechtbank daarin echter geen aanleiding om de aanvullende motivering in haar einduitspraak buiten beschouwing te laten. De in de tussenuitspraak gestelde termijn betreft geen fatale termijn, maar een termijn van orde.
Relativiteitsvereiste
4. Verweerder heeft zich in de herstelpoging op het standpunt gesteld dat het criterium met betrekking tot hoofdverblijf niet strekt tot bescherming van de belangen van eisers, zodat niet wordt voldaan aan het relativiteitsvereiste en het beroep van eisers voor wat betreft de grond over het hoofdverblijf niet-ontvankelijk is. Volgens verweerder is de voorwaarde van het hoofdverblijf gesteld in het belang van bescherming van de woningvoorraad en niet ter bescherming van de belangen van omwonenden, zoals eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij stellen dat de norm strekt tot bescherming van leefbaarheid in woonwijken, omdat wijzigingen in de bewoning ruimtelijk relevant zijn voor het woon- en leefmilieu van de omgeving.
5. De rechtbank overweegt dat uit artikel 8:69a van de Awb volgt dat de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel vernietigt, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Daarbij gaat het erom dat een regel onmiskenbaar niet geschreven is ter bescherming van het belang van de betrokkene. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de eis van het hoofdverblijf kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van eisers. Uit de algemene toelichting op de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Hvv), paragraaf 3.1, volgt dat een onttrekkingsvergunning kan worden geweigerd in het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Bescherming van die belangen kan, aldus de toelichting, behalve vanwege bestaande of dreigende schaarste ook om andere redenen, zoals de leefbaarheid, wenselijk zijn. De rechtbank leidt hieruit af dat de leefbaarheid ook een rol speelt bij het al dan niet verlenen van onttrekkingsvergunningen, zodat de regels daarover er ook zijn ter bescherming van omwonenden, zoals eisers. Er is daarmee niet voldaan aan het criterium van artikel 8:69a van de Awb, namelijk dat de regels in de Hvv over de onttrekkingsvergunning onmiskenbaar (“kennelijk”) niet strekken tot bescherming van eisers. De beroepsgrond van eisers stuit daarom niet af op het relativiteitsvereiste.
Hoofdverblijf
6. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak ook al heeft overwogen is één van de voorwaarden voor een onttrekkingsvergunning dat de bewoner de woonruimte waarin hij de B&B wil vestigen, als hoofdverblijf heeft en in de basisregistratie personen (Brp) op dat adres staat ingeschreven. Volgens de Hvv is ‘hoofdverblijf’ het adres waar iemand de afgelopen twaalf maanden overheersend verbleef, zijnde ten minste 183 nachten, en waar het centrum van diens levensbelangen ligt. Dit minimaal aantal nachten mag versnipperd zijn.
7. Niet in geschil is dat de periode van 22 maart 2019 tot 22 maart 2020 geldt als referteperiode om te bepalen of vergunninghouder op het moment van de aanvraag de woning waarin de B&B is gevestigd als haar hoofdverblijf had.
8. In de herstelpoging stelt verweerder zich op het standpunt dat vergunninghouder aan deze voorwaarde voldoet. Vergunninghouder staat vanaf 24 december 2018 ingeschreven (als huurder) op [adres] [huisnummer 2] en later, per 2 maart 2020, als eigenaar op [adres] [huisnummer 1] (waarbij [adres] [huisnummer 1] , [huisnummer 2] en [huisnummer 3] toen waren samengevoegd tot [adres] [huisnummer 1] ). Vergunninghouder woont er nog steeds. De onttrekkingsvergunning is verleend omdat vergunninghouder op het adres stond ingeschreven. Nader onderzoek wordt, aldus verweerder, niet gedaan.
9. In reactie hierop hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat verweerder voorbijgaat aan de cumulatieve voorwaarden voor een onttrekkingsvergunning ten behoeve van een B&B, namelijk dat de exploitant van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft de woonruimte als hoofdverblijf heeft én in de Brp op het adres van de woonruimte staat ingeschreven.
10. De rechtbank volgt eisers hierin en is van oordeel dat het enkel lang genoeg ingeschreven staan in de Brp onvoldoende is om te voldoen aan het hoofdverblijfcriterium. Artikel 3.3.7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hvv kent cumulatieve voorwaarden, de aanvrager moet ook voldoen aan het criterium van hoofdverblijf.
11. Subsidiair stelt verweerder zich in de herstelpoging op het standpunt dat vergunninghouder ook aan de voorwaarde van het hoofdverblijf voldoet. Vergunninghouder heeft verklaard eind juni/in de zomer van 2019 de woning te hebben betrokken. Daarna zijn er nog verbouwingen geweest. Volgens verweerder maakt een periode van verbouwing niet dat het centrum van de levensbelangen van een betrokkene niet meer op het adres zou zijn. Zo bestaat er ook geen verplichting om zich uit te schrijven uit de Brp indien een betrokkene een periode tijdelijk niet op zijn adres kan verblijven. Volgens verweerder heeft vergunninghouder in de referteperiode in ieder geval bijna negen maanden op het adres van de B&B haar hoofdverblijf gehad.
12. Eisers brengen hiertegen in dat de woning van 20 februari 2019 tot en met (ten minste) 20 december 2019 grotendeels onbewoonbaar was vanwege de verbouwing. De afschouw vond pas op 6 februari 2020 plaats, waardoor feitelijke bewoning daaraan voorafgaand in ieder geval niet mogelijk was. Verder wijzen eisers erop dat vergunninghouder zelf heeft gesteld dat zij niet eerder dan eind juni 2019 in de woning is komen wonen. Ook gelet daarop kan het vereiste aantal van tenminste 183 nachten verblijf in de referteperiode feitelijk niet gehaald zijn.
13. De rechtbank overweegt dat de verbouwing duurde tot 20 december 2019 (melding einde werkzaamheden). Het standpunt van eisers dat de verbouwing pas afgerond was op de datum van de afschouw, 6 februari 2020, volgt de rechtbank niet. De afschouw is immers slechts een controle van de gemeente op de melding dat de werkzaamheden zijn afgerond. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat vergunninghouder in elk geval vanaf 20 december 2019 tot 22 maart 2020 (het einde van de referteperiode) haar hoofdverblijf op het adres heeft gehad.
13. Voor wat betreft de periode voor 20 december 2019 overweegt de rechtbank het volgende. Nu vergunninghouder zelf heeft verklaard pas eind juni 2019 op het adres is komen wonen, heeft zij vóór deze datum in ieder geval geen hoofdverblijf op het adres gehad. Vergunninghouder heeft verklaard dat zij vanaf juni 2019 af en aan in de woning verbleef, voor zover de werkzaamheden dit toelieten. Weliswaar is niet exact duidelijk hoeveel nachten zij in de woning heeft verbleven, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om eraan te twijfelen dat dit, samen met de nachten in de periode 20 december 2019 tot 22 maart 2020, ten minste het vereiste aantal nachten is geweest om in totaal te voldoen aan de eis van 183 nachten in de referteperiode.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzitter, en mr. S.D. Arnold enmr. T.L. Fernig-Rocour, leden, in aanwezigheid van mr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
Het criterium in artikel 3.3.7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingsverordening 2020 (Hvv).
Zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 4.5.
De versie geldend van 01-01-2020 t/m 30-06-2020.
Getiteld: Waarom regels met betrekking tot de woonruimtevoorraad?
Artikel 3.3.7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hvv.
Artikel 1, aanhef en onder j, van de Hvv.
Dit volgt uit de toelichting op artikel 1, aanhef en onder j, van de Hvv.