Rechtspraak
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-06-21
ECLI:NL:ORBAACM:2023:41
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,436 tokens
Inleiding
Uitspraakdatum: 21 juni 2023
Zaaknummer: AUA2022H00207
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante],
wonend in Aruba,
appellante,
gemachtigde mr. H.S. Croes, advocaat,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 22 augustus 2022, zaaknummer GAZA AUA202200594 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
appellante
en
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. A.F.J. Caster en Y.M.F. Kaarsbaan, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken.
Procesverloop
Appellante, ten tijde van belang als dierenarts in dienst bij de Veterinaire Dienst (VD) van de Directie Volksgezondheid, heeft op 17 januari 2017 het verzoek gedaan haar te benoemen in de functie van hoofd van de VD (Hoofd VD).
In een gesprek op 2 februari 2017 heeft de Directeur van de Directie Volksgezondheid aan appellante medegedeeld dat besloten is haar niet te benoemen in de functie van Hoofd VD.
Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het Gerecht van dat bezwaar heeft appellante hoger beroep ingesteld. Bij de daarop gevolgde uitspraak van 8 september 2021 (Uitspraak; ECLI:NL:ORBAACM:2021:58) heeft de Raad, voor zover hier van belang, geïntimeerde opgedragen een reële beslissing te nemen op appellantes verzoek om haar tot Hoofd VD te benoemen.
Op 8 maart 2022 heeft appellante vanwege het niet gevolg geven aan de Uitspraak, een bezwaarschrift ingediend bij het Gerecht op de voet van artikel 96 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La).
Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht dit door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
Geïntimeerde heeft op 26 mei 2023 een contramemorie ingediend en een gedingstuk overgelegd.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
De Raad heeft bij de Uitspraak aan geïntimeerde de opdracht gegeven om een reële beslissing te nemen op appellantes verzoek om benoeming tot Hoofd VD.
1.2.
Toen appellante vaststelde dat geïntimeerde kennelijk geen uitvoering gaf aan die opdracht, heeft zij bezwaar gemaakt op grond van artikel 96 van de La.
1.3.
Appellante heeft verzocht om primair te bepalen dat zij met ingang van 2014 wordt benoemd tot Hoofd VD op verbeurte van een dwangsom, om subsidiair geïntimeerde op te dragen als passende vorm van schadevergoeding haar te benoemen tot Hoofd VD op verbeurte van een dwangsom, en om meer subsidiair geïntimeerde te veroordelen om als schadevergoeding aan haar te betalen hetgeen zij had behoren te ontvangen ware zij vanaf 2014 tot Hoofd VD benoemd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht dit bezwaar ongegrond verklaard.
2.1.
Het Gerecht heeft overwogen dat artikel 96 van de La volgens vaste jurisprudentie (RvBAz 20 september 2007, ECLI:NL:ORBANAA:2007:BK4262) niet de bevoegdheid geeft aan de rechter om de primair en subsidiair gevraagde voorzieningen te treffen.
Wat de meer subsidiair gevraagde voorziening betreft heeft het Gerecht overwogen dat er voor een toekenning van schadevergoeding overeenkomstig het derde lid van artikel 96 van de La slechts plaats is, indien op grond van de niet uitgevoerde uitspraak met de nodige zekerheid kan worden vastgesteld wat de inhoud diende te zijn van de beslissing die geïntimeerde heeft nagelaten te nemen.
2.2.
Omdat de Uitspraak niet zonder meer meebrengt dat geïntimeerde zonder meer gehouden is appellantes verzoek om benoeming tot Hoofd VD in te willigen, staat nog niet vast dat appellante schade heeft geleden als gevolg van het niet uitvoeren door geïntimeerde van de hem gegeven opdracht. Naar het oordeel van het Gerecht kan het verzoek van appellante om schadevergoeding daarom niet worden toegewezen.
3. Appellante kan zich niet vinden in de aangevallen uitspraak.
3.1.
Zij meent dat uit de vernietiging van de fictieve weigering door de Raad in zijn Uitspraak blijkt dat het voor de Raad in het geheel niet onzeker was welke beslissing het in gebreke blijvend bestuursorgaan hier had behoren te nemen op het verzoek van appellante om haar te benoemen als Hoofd VD. Er bestond daarom voor het Gerecht alle reden geïntimeerde tot schadevergoeding te hebben veroordeeld.
3.2.
Appellante heeft nuancering van de jurisprudentie bepleit. De Raad zou bij een niet-nakoming van een onherroepelijke uitspraak ook zonder wettelijke basis in de La het bestuursorgaan met een stelsel van dwangsommen moeten mogen verplichten te doen wat het had behoren te doen.
4. Geïntimeerde heeft bij contramemorie de niet-ontvankelijkverklaring van appellante bepleit. Zij heeft volgens hem geen belang nu er inmiddels - bij een op 21 september 2022 genomen reële beslissing - uitvoering is gegeven aan de opdracht van de Raad en nu appellante op grond van artikel 96 van de La niet kan bereiken wat zij verlangt, namelijk de door haar gewenste benoeming.
Omdat nog niet vaststaat dat appellante in aanmerking komt voor benoeming in de functie van Hoofd VD kan aan haar op grond van artikel 96 van de La geen schadevergoeding worden toegewezen, aldus geïntimeerde.
4.1.
De gemachtigden van geïntimeerde hebben ter zitting de mededeling gedaan - met zoveel woorden opgenomen in hun pleitnota - dat de Gouverneur de (door de Minister van Volksgezondheid genomen) beslissing van 21 september 2023 “voor zijn rekening neemt en deze eigen maakt”. Er is dus geen sprake (meer) van het niet uitvoeren van de Uitspraak. Daarom heeft appellante volgens geïntimeerde geen rechtens te respecteren belang meer bij de onderhavige zaak en dient niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep te volgen.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1.
Hij begrijpt dat bij appellante sprake is geweest van (meer dan) onvrede over de weigerachtige houding van geïntimeerde.
5.2.
Over de mogelijkheden en onmogelijkheden om in een dergelijke situatie met toepassing van artikel 96 van de La uitkomst te bieden, heeft de Raad op 4 mei 2022 (gepubliceerd onder de nummers ECLI:NL:ORBAACM:2022:36 en ECLI:NL:ORBAAMC:2022:35) uitvoerig uitspraak gedaan. Hij heeft zijn standpunt gehandhaafd dat artikel 96 van de La geen grondslag biedt voor het opleggen aan een administratief orgaan van een (last onder) dwangsom. Het ligt op de weg van de regelgever, aldus de Raad, om dit mogelijk te maken.
De Raad ziet (thans nog) geen aanleiding hierover anders te oordelen.
5.3.
De Raad heeft in zijn genoemde uitspraken in die zin een handreiking gedaan dat in een situatie als hier aan de orde artikel 96 van de La de grondslag kan bieden om de frustratie en spanning als gevolg van het niet tijdig nakomen van de aan een bestuursorgaan gegeven rechterlijke opdracht, op één lijn te stellen met voor vergoeding in aanmerking komende immateriële schade. Op deze wijze wordt bijgedragen aan de effectiviteit van het rechtsmiddel. Als maatstaf wordt de schade per verstreken half jaar dat het orgaan in verzuim is geweest, begroot op Afl. 500,00.
5.4.
In de hier aan de orde zijnde situatie betekent dit bovenstaande het volgende.
5.5.
Het Gerecht heeft in de aangevallen uitspraak met betrekking tot de door appellante gestelde materiële schade de juiste maatstaf gehanteerd en het is tot een juist oordeel gekomen. De Raad volstaat met verwijzing naar het gestelde onder 2.1 en 2.2.
5.6.
De Raad stelt vast dat geïntimeerde vanaf september 2021 tot september 2022 geweigerd heeft om gevolg te geven aan de rechterlijke opdracht. Hoewel inmiddels dus uitvoering is gegeven aan die opdracht is het in de geest van de genoemde uitspraken van de Raad om in dit geval ter zake van de door appellante gedurende de periode van september 2021 tot september 2022 geleden frustratie en spanning aan haar een bedrag toe te kennen van Afl. 1.000,00.
6. De slotsom is dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het bezwaar gegrond is. De Raad zal in zijn uitspraak het bedrag vermelden tot vergoeding waarvan geïntimeerde veroordeeld wordt.
7. De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding om geïntimeerde verder te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze worden begroot op Afl. 2.800,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dictum
De Raad:
-vernietigt de aangevallen uitspraak;
-verklaart het bezwaar gegrond;
-veroordeelt de Gouverneur van Aruba tot vergoeding van schade aan appellante tot een bedrag van Afl. 1.000,00 (eenduizend Arubaanse guldens);
-veroordeelt de Gouverneur van Aruba tot betaling aan appellante van haar proceskosten tot een bedrag van Afl. 2.800,00 (tweeduizend achthonderd Arubaanse guldens).
Deze uitspraak is gewezen door mr. H.A.A.G. Vermeulen, voorzitter, en mr. J. Sybesma en drs. P.J. Thijssen, leden, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2023.