Rechtspraak
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2019-09-02
ECLI:NL:OGAACMB:2019:95
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,852 tokens
Inleiding
Uitspraak van 2 september 2019
AUA201802380
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar van:
[klaagster],
wonend te Aruba,
KLAAGSTER,
gemachtigde: mr. L.A. Hernandis ,
tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelende te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).
Procesverloop
Bij uitspraak van dit gerecht van 16 april 2018 is het bezwaar van klaagster gericht tegen de beschikking van verweerder van 11 september 2017, inhoudende een afwijzing op klaagsters verzoek tot bevordering, gegrond verklaard. In voornoemde uitspraak is bepaald dat verweerder binnen drie maanden na de uitspraak een nieuwe beslissing op het verzoek van klaagster dient te nemen, met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.
Klaagster heeft op 2 augustus 2018 een bezwaarschrift ex artikel 96 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La) bij dit gerecht ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van 14 januari 2019 alwaar zijn verschenen klaagster bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde. Verweerder is hierna in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag in welke functie klaagster is/was geplaatst in de beoordelingsperiode, en de vraag hoe de negatieve beoordeling is meegewogen in de beslissing van 11 september 2017.
Verweerder heeft zich op 10 juni 2019 bij akte uitgelaten over voornoemde vragen.
Hierna is uitspraak bepaald op heden.
Overwegingen
1. Artikel 96 van de LA bepaalt, dat indien aan een bij onherroepelijk geworden rechterlijke beslissing opgelegde veroordeling niet of niet volledig gevolg wordt gegeven, de ambtenaar bevoegd is om binnen zes maanden nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden, een bezwaarschrift bij het gerecht in te dienen. Ingevolge het derde lid van dit artikel veroordeelt het gerecht, indien het bezwaar gegrond wordt bevonden, het betrokken lichaam tot vergoeding en stelt het met inachtneming van alle omstandigheden het bedrag der schadevergoeding vast.
2. In dit geval staat vast dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van dit gerecht van 16 april 2018, waarbij de bestreden beschikking van 11 september 2017 is vernietigd en is bepaald dat hij binnen drie maanden na dagtekening van die uitspraak een nieuwe beslissing op het verzoek van klaagster om een bevordering naar schaal 9 met ingang van 1 augustus 2012, moest nemen. In die uitspraak heeft het gerecht overwogen dat de beschikking van verweerder van 11 september 2017 niet deugdelijk is gemotiveerd, omdat die beschikking onvoldoende inzicht biedt in de mate waarin bij het nemen ervan de uitspraak van dit gerecht van 9 oktober 2017 (AUA201600489) in acht is genomen. Bij laatstgenoemde uitspraak is het volgende overwogen:
“ (…)
2.5
Het gerecht merkt daarbij nog op dat van de voor klaagster ongunstige beoordeling, die aan de bestreden beschikking ten grondslag is gelegd, uitsluitend blijkt uit een door een lid van het managementteam aan verweerder gezonden brief van 30 juli 2015. Niet betwist is dat het daarin verwoorde negatieve oordeel omtrent klaagsters functioneren niet eerder aan haar is medegedeeld dan in het kader van de onderhavige procedure. Dit verdraagt zich niet met de bij de vaststelling van een beoordeling in acht te nemen zorgvuldigheid. Die brengt met zich dat een ongunstige beoordeling, voordat daar voor de ambtenaar negatieve consequenties aan worden verbonden, aan de ambtenaar wordt kenbaar gemaakt en aan hem de gelegenheid wordt geboden zijn zienswijze daarover kenbaar te maken. Nu dit is nagelaten is de bestreden beschikking niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen en als gevolg daarvan niet voorzien van een deugdelijke motivering. (…)”
3. Klaagster kan zich niet verenigen met de weigering van verweerder om gevolg te geven aan de uitspraak en stelt dat verweerder daarmee handelt in strijd met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwens-, het zorgvuldigheids- het motiverings- en het gelijkheidsbeginsel. Bij onderhavig bezwaarschrift verzoekt klaagster verweerder op te dragen om binnen een termijn van twee maanden (alsnog) uitvoering te geven aan voornoemde uitspraak en haar te bevorderen conform haar verzoek, met veroordeling van verweerder in de door klaagster gemaakte kosten voor juridische bijstand in deze zaak.
4. Het gerecht stelt voorop dat uitvoering van rechterlijke uitspraken met voortvarendheid dient plaats te vinden. Dit betekent dat de rechterlijke opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op zo kort mogelijke termijn dient te worden uitgevoerd, waarbij aantoonbaar moet zijn dat de zaak niet zonder dat daarin iets gebeurt, blijft liggen. In dit geval is uit de door verweerder overgelegde stukken het gerecht niet gebleken van enige besluitvoorbereiding of besluitvorming van verweerder naar aanleiding van bedoelde uitspraak. Anderzijds is evenmin gebleken of anderszins aannemelijk geworden dat het gevolg geven aan bedoelde uitspraak zou hebben geleid tot het daadwerkelijk bevorderen van klaagster conform haar verzoek. Anders dan klaagster kennelijk meent volgt uit bedoelde uitspraak immers niet dat klaagster met ingang van 2 augustus 2012 naar schaal 9 bevorderd had moeten worden.
5. Verder geldt dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad artikel 96 van de La slechts grondslag biedt voor de bevoegdheid om bij het niet uitvoeren van een uitspraak schadevergoeding vast te stellen met terzijdestelling van de niet uitgevoerde uitspraak. De uitspraak wordt aldus vervangen door een schadevergoeding. Dit artikel geeft niet de bevoegdheid om bij te late uitvoering van de uitspraak een schadevergoeding op te leggen of een als vooraf bepaalde schadevergoeding aan te merken dwangsom, om uitvoering af te dwingen.
6. Nu klaagster niet om schadevergoeding heeft verzocht maar om een bevordering, ziet het gerecht geen aanleiding de uitspraak van 16 april 2018 terzijde te stellen. Voor het veroordelen van verweerder tot bevordering van klaagster bestaat in deze procedure geen wettelijke grondslag.
7. Het bezwaar zal ongegrond worden verklaard. Het vorenstaande laat onverlet dat verweerder uit oogpunt van zorgvuldigheid nog immer gehouden is op het bevorderingsverzoek van klaagster te beslissen.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in ambtenarenzaken te Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 2 september 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.
Op grond van artikel 134 Landsverordening ambtenarenrechtspraak staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Hoger beroep dient te worden ingesteld binnen 30 dagen na de dag van deze uitspraak.
Zie bv. Raad van Beroep in Ambtenarenzaken, 20 september 2007, ECLI:NL:ORBANAA:2007:BK4262; Raad van Beroep in Ambtenarenzaken, 21 november 2008, ECLI:NL:ORBANAA:2008:BK2991