Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2018-09-25
ECLI:NL:OGHACMB:2018:170
Civiel recht
Hoger beroep
1,963 tokens
=== VOLLEDIG ===
Burgerlijke zaken over 2018 Vonnis no.:
Registratienummer: AR 68485/14 - H 218/16
Uitspraak: 25 september 2018
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANT],
h.o.d.n. Floors & Doors,
wonende in Curaçao,
oorspronkelijk gedaagde,
thans appellant,
gemachtigde: mr. L.F. Herben,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonende in Curaçao,
oorspronkelijk eiseres,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. A.J. de Winter.
De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1Het verdere verloop van de procedure
Voor het procesverloop tot 27 februari 2018 (hierna: het tussenvonnis) wordt verwezen naar het tussenvonnis van die datum. Op 24 april 2018 en 18 mei 2018 heeft het Hof door [appellant] voorgebrachte getuigen gehoord. Voorafgaand aan die getuigenverhoren heeft [appellant] producties overgelegd. Op 22 juni 2018 heeft De [geïntimeerde] producties ingediend. Op 3 juli 2018 hebben partijen een conclusie na enquête genomen. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.
2De verdere beoordeling
2.1
In het tussenvonnis zijn op voorhand bewezen geacht de stellingen van [geïntimeerde] dat de gebruikte houtsoort niet soortgelijk is aan meranti en dat [appellant] wist of als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakman behoorde te weten dat de gebruikte houtsoort te zacht is voor de productie van deuren en kozijnen in de tropen en is [appellant] toegelaten tot het tegenbewijs van die stellingen. [appellant] heeft twee getuigen en zich zelf, via Skype, laten horen.
2.2
De getuige [getuige 1], bouwkundige en architect, heeft verklaard dat hij met de aanleg van het villapark Flamboyan geen bemoeienis heeft gehad. Op verzoek van de advocaat van [appellant] heeft hij in april 2018 het huis van [geïntimeerde] bezocht. Hij heeft verklaard dat hem toen door de heer [naam 2], de partner van [geïntimeerde], is meegedeeld dat het door [appellant] geleverde hout is vervangen en dat dit hout niet meer voorhanden is. [getuige 1] heeft vervolgens de houten kozijnen van een aantal andere huizen op het villapark onderzocht en geconstateerd dat het daar gebruikte hout van goede kwaliteit en niet verrot of ongewoon versleten is. Hij heeft verder verklaard dat de houtsoort urapan harder is dan meranti.
2.3
De getuige [getuige 2] was, zo heeft hij verklaard, vanaf december 2010 tot medio april 2011 als bouwbegeleider betrokken bij de ontwikkeling van het villapark. Hij heeft verklaard dat [appellant] in december 2010 de eerste container ramen en deuren heeft geleverd, dat over de houtsoort afspraken waren gemaakt met de hoofdaannemer Bouw & Support en dat uit de drie door [appellant] geoffreerde hardhoutsoorten is gekozen voor de middelste in prijs. De ramen en deuren zijn gemaakt in een fabriek in Armenia, Colombia. [getuige 2], zo verklaarde hij, had wel klachten over de constructie van de ramen en deuren maar niet over de gebruikte houtsoort. Bij alle huizen is dezelfde en de juiste hardhoutsoort gebruikt. [appellant] heeft de ramen en deuren in het huis van [geïntimeerde] gemonteerd, hij heeft dit goed gedaan, aldus [getuige 2].
2.4 [
appellant] heeft verklaard dat hij drie hardhoudsoorten had geoffreerd en dat is gekozen voor urapan. De ramen en deuren zouden worden gemaakt door het bedrijf Concorde in Armenia, Colombia. Urapan wordt, aldus [appellant], veel gebruikt in Cartagena, dat hetzelfde klimaat heeft. Het gebruikte hout werd eerst gedroogd in het juiste vochtigheidsklimaat. [appellant] heeft verklaard dat hij met [naam 1] niet over het gebruik van de houtsoort perillo voor buiten heeft gesproken. De binnendeuren waren wel van perillo hout. [appellant] heeft verder verklaard dat hij de deuren en ramen alleen heeft geleverd, niet gemonteerd, dat hij niet weet of de ramen en deuren van het huis van [geïntimeerde] zijn vervangen, dat hij ook de ramen en deuren van de huizen 11, 18 en 19 heeft geleverd en dat van andere eigenaren geen klachten zijn ontvangen.
2.5 [
geïntimeerde] heeft geen getuigen voorgebracht. Zij heeft wel een aantal producties ingebracht en heeft aan de hand daarvan in haar conclusie na enquête onder meer betoogd dat huisnummer 11 pas in 2017 is gebouwd, dat van huisnummer 18 de gehele entree in 2014/2015 is vervangen en dat van huisnummer 19 iedere informatie ontbreekt.
2.6
Het Hof is van oordeel dat [appellant] in het leveren van het tegenbewijs is geslaagd. Daarvoor is het volgende redengevend.
2.7
De getuigen [getuige 2] en [appellant] verklaren allebei dat [appellant] aan de hoofdaannemer Bouw & Support drie hardhoutsoorten heeft geoffreerd en dat voor de middelste soort (in prijs) is gekozen. Deze verklaringen versterken elkaar nu zij hetzelfde inhouden. Dat [getuige 2] wellicht in die fase nog niet bij het project betrokken was, maakt niet dat aan zijn verklaring geen waarde toekomt. Het ligt voor de hand dat hij zich als projectleider hierover heeft laten informeren. [appellant] heeft verklaard dat is gekozen voor de houtsoort urapan. Deze getuigenverklaringen vinden verder bevestiging in de schriftelijke verklaring van de directeur van de fabriek die de kozijnen heeft geleverd, [naam 3] (productie A bij akte van [appellant] van 26 september 2017) die ook inhoudt dat drie hardhoutsoorten zijn geoffreerd, waaronder urapan en dat door de ontwikkelaar en de bouwer voor die houtsoort was gekozen.
2.8 [
naam 3] heeft verklaard dat urapan een voor het fabriceren van ramen en deuren geschikte hardhoutsoort is, omdat deze bestand is tegen het klimaat in Caribische (kust)streken. Ook [getuige 1] heeft dit verklaard met verwijzing naar en onderbouwing van de specifieke eigenschappen van deze houtsoort. Dit is door De [geïntimeerde] verder niet betwist.
2.9
Nu tussen [appellant], de leverancier en de hoofdaannemer was afgesproken dat voor de door [appellant] te leveren ramen en deuren urapan zou worden gebruikt, ligt het in de rede dat deze afspraak ook daadwerkelijk is uitgevoerd. Er zijn twee concrete omstandigheden die erop zouden kunnen duiden dat dit toch niet is gebeurd en dat de aan [geïntimeerde] geleverde ramen en deuren van een andere, zachtere en daardoor niet geschikte houtsoort waren gemaakt. De eerste aanwijzing is de schriftelijke verklaring van [naam 1] (productie 11 bij inleidend verzoekschrift), waarin hij verklaart dat de ramen en kozijnen van het huis van [geïntimeerde] van de houtsoort perillo zijn gemaakt. Het is echter onduidelijk waarop [naam 1] deze wetenschap heeft gebaseerd. Het bezoek dat hij met [appellant] aan de fabrikant in Colombia heeft gebracht, dateert van ruim na de levering van de ramen en deuren door [appellant] aan [geïntimeerde]. Hij verklaart dan ook niet dat hij getuige is geweest van de onjuiste bestelling door [appellant]. Nu [naam 1] niet als getuige is gehoord is zijn bron van wetenschap ook niet opgehelderd. Aan de verklaring van [naam 1] komt om deze redenen weinig gewicht toe.
2.10
De tweede aanwijzing is de stelling van [geïntimeerde] dat ramen en deuren in haar huis al in 2012, nog geen twee jaar na de oplevering, verrot waren en vervangen moesten worden. [geïntimeerde] heeft foto’s overgelegd van beschadigde onderdelen van kozijnen.