Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-24
ECLI:NL:HR:2026:726
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,357 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:726 text/xml public 2026-04-29T10:07:01 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-24 25/00616 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:1 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1325 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1405 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042401 FutD 2026-0710 V-N Vandaag 2026/842 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:726 text/html public 2026-04-24T10:58:36 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:726 Hoge Raad , 24-04-2026 / 25/00616 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/00616 Datum 24 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 januari 2025, nr. BK-24/51 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/6857) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 5 december 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2 Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026. ECLI:NL:GHDHA:2025:1. ECLI:NL:PHR:2025:1325, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2025:1405.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:726 text/xml public 2026-04-29T10:07:01 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-24 25/00616 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:1 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1325 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1405 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042401 FutD 2026-0710 V-N Vandaag 2026/842 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:726 text/html public 2026-04-24T10:58:36 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:726 Hoge Raad , 24-04-2026 / 25/00616 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/00616 Datum 24 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 januari 2025, nr. BK-24/51 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/6857) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 5 december 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2 Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026. ECLI:NL:GHDHA:2025:1. ECLI:NL:PHR:2025:1325, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2025:1405.