Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-29
ECLI:NL:GHSHE:2025:1221
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
5,702 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.344.435/01
arrest van 29 april 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] (en ook: de man)
advocaat: mr. L.G.P.A. van Putten-van den Heuvel,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] (en ook: de vrouw)
advocaat: mr. C.A.M.J. de Wit.
op het bij exploot van dagvaarding van 18 juli 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 12 juni 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde.
Procesverloop
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de memorie van grieven d.d. 17 september 2024 met prod. 1a tot en met 1d;
de memorie van antwoord d.d. 29 oktober 2024 met de prod. 1 tot en met 5;
de akte overlegging producties d.d. 12 november 2024 met de prod. 2 en 3,
de antwoordakte d.d. 10 december 2024 met prod. 6.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de verdeling van de tussen partijen bestaande wettelijke algehele gemeenschap van goederen.
Beoordeling
4.1.
Het hof gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten.
Partijen zijn gehuwd geweest.
[geïntimeerde] heeft op 20 mei 2022 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank. [appellant] heeft zich op 10 juni 2022 aan dit verzoek gerefereerd.
De rechtbank heeft bij beschikking van 14 september 2022 de echtscheiding uitgesproken. Bij dezelfde beschikking heeft de rechtbank partijen bevolen om over te gaan tot verdeling van hun huwelijksgemeenschap ten overstaan van een notaris.
Op 24 januari 2023 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
Partijen zijn niet overgegaan tot verdeling van de huwelijksgemeenschap.
Bij dagvaarding van 2 februari 2024 heeft [geïntimeerde] onder meer gevorderd om de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen en [appellant] te bevelen om een opdracht tot verkoop van de woning aan [adres A] en [adres B] te verstrekken aan [XX] Makelaardij te [plaats A] , en alle handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor de spoedige verkoop en leveringen van deze woningen aan een derde, een en ander op straffe van een dwangsom en indien het maximumbedrag van de dwangsom is bereikt [geïntimeerde] te machtigen om namens [appellant] de woningen te verkopen en te leveren aan een derde.
Bij de rechtbank heeft [appellant] geen verweer gevoerd omdat zijn advocaat zich tijdens die procedure heeft onttrokken en zich voor hem geen nieuwe advocaat heeft gesteld.
Bij vonnis van 12 juni 2024 (zaaknummer C/01/401486 / HA ZA 24-123) heeft de rechtbank het volgende beslist:
‘De rechtbank
3.1.
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vast als volgt:
- stelt de peildatum voor de verdeling vast op 20 mei 2022;
- deelt aan de vrouw toe haar foto’s (inclusief alle naaktfoto’s waarover de man beschikt), foto’s van haar kinderen en familie, haar muziekdoos, de ring van haar oma en het speelgoed van de vrouw van vroeger;
- de woning aan [adres A] wordt toegedeeld aan de man en de man is wegens overbedeling aan de vrouw een bedrag verschuldigd van € 29.304,00;
- de woning aan [adres B] moet worden verkocht en geleverd aan een derde waarna aflossing van de hypotheek en de kosten van de makelaar de restopbrengst tussen partijen wordt gedeeld;
- de activa en de passiva van de eenmanszaak van de man worden toegedeeld aan de man en de man is wegens overbedeling aan de vrouw een bedrag verschuldigd van € 45.000,00;
- de schuld aan de ABN AMRO bank in verband met een negatief saldo op de bankrekening met nummer 44.50.31.670 wordt toegedeeld aan de man;
- de bankrekeningen met nummers [bankrekening A] , [bankrekening B] , [bankrekening C] en [bankrekening D] worden toegedeeld aan de man en de man is wegens overbedeling aan de vrouw een bedrag verschuldigd van € 100.000,00,
3.2.
beveelt de man om binnen een maand na betekening van dit vonnis makelaarskantoor [XX] Makelaardij, gevestigd aan [adres C] , opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning aan [adres B] ,
3.3.
beveelt de man mee te werken aan bezichtigingen van de woning aan [adres B] ,
3.4.
beveelt de man zijn medewerking te verlenen aan het ondertekenen van de leveringsakte indien de woning aan [adres B] is verkocht,
3.5.
beveelt de man de woning aan [adres B] te ontruimen voor de in de koopovereenkomst vermelde leveringsdatum,
3.6.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag dat hij niet na een daartoe strekkend verzoek van de vrouw aan hetgeen is bepaald onder 3.2. t/m 3.5. voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
3.7.
machtigt de vrouw, indien het maximumbedrag van de dwangsom is bereikt, om mede namens de man de woning aan [adres B] te verkopen en te leveren aan een derde,
3.8.
verplicht de man de woning aan [adres B] te ontruimen indien de vrouw erin slaagt de woning aan [adres B] met machtiging te verkopen een week voor de met een derde door de vrouw overeengekomen leveringsdatum met machtiging van de vrouw om de woning aan [adres B] op kosten van de man te doen ontruimen voor het geval hij hiermee in gebreke blijft,
3.9.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.10.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.11.
wijst het meer of anders verzochte af.’
i. Dit vonnis is op 17 juni 2024 aan [appellant] betekend.
Procesverloop
4.2.
[appellant] heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Hij vordert in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad, dat het hof het vonnis van 12 juni 2024 vernietigt en ‘opnieuw rechtdoende de vorderingen van de man toe te wijzen.’
Hij heeft daartoe vier grieven aangevoerd.
4.3.
[geïntimeerde] heeft de grieven weersproken en geconcludeerd, uitvoerbaar bij voorraad, tot het niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaren van het beroep van [appellant] , het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen en [appellant] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.
4.4.
Het hof zal de grieven hierna bespreken.
Toedeling van de woning [adres A] (grief 1)
4.5.1.
Uit het bestreden vonnis volgt (rov. 3.1.) dat de rechtbank de woning aan de [adres A] heeft toegedeeld aan [appellant] en daarbij heeft bepaald dat hij wegens overbedeling aan [geïntimeerde] een bedrag verschuldigd is van € 29.304,00.
Tegen die beslissing richt de grief van [appellant] zich. In de toelichting op die grief stelt [appellant] dat hij het weliswaar eens is met de toedeling van de woning aan [adres A] aan hem, maar dat hij grieft tegen het oordeel dat hij als gevolg van die toedeling, wegens overbedeling, een bedrag aan [geïntimeerde] verschuldigd is van € 29.304,--. De woning komt hem geheel onder uitsluiting toe aangezien een deel van de koopsom is verrekend met schenkingen. Voorts schat [geïntimeerde] de waarde van de woning te hoog. [appellant] zal een nadere waardebepaling in het geding brengen.
4.5.2.
[geïntimeerde]
weerspreekt de grief. Zij wijst erop dat uit de toelichting van [appellant] volgt dat hij impliciet erkent dat slechts een deel van de koopsom is verrekend met door hem ontvangen schenkingen. Verder voert zij aan dat uit de WOZ waardebepaling volgt dat de woning per 1 januari 2023 € 491.000,-- waard is. Dat is een hoger bedrag dan de waarde waarmee de rechtbank heeft gerekend, namelijk € 470.000,--. [appellant] heeft niet gegriefd tegen de wijze waarop het bedrag aan overbedeling is berekend. Hij heeft ook geen stukken overgelegd waaruit een lagere waarde van € 470.000,-- zou moeten blijken.
4.5.3.
Het hof stelt vast dat de door [appellant] toegezegde nadere waardebepaling van de woning door hem niet in het geding is gebracht. Bij het bepalen van de omvang van de overbedeling heeft de rechtbank de berekening van [geïntimeerde] gevolgd. Zij is daarbij uitgegaan van een waarde per datum verdeling (1 januari 2024) van € 470.000,--. Uit de door [geïntimeerde] in hoger beroep overgelegde WOZ waardebepaling volgt dat de woning per 1 januari 2023 een WOZ-waarde had van € 491.000,--. [appellant] dient, gelet op de onderbouwde stelling van [geïntimeerde] dat de woning op de peildatum ten minste € 470.000,-- waard is, zijn standpunt dat met een te hoge waarde is gerekend, nader te onderbouwen. Nu hij dit heeft nagelaten, faalt zijn grief op dit punt.
De stelling van [appellant] dat de woning door hem volledig is gefinancierd met schenkingen die aan hem onder uitsluiting zijn ontvangen, heeft [geïntimeerde] weersproken. Hoewel ook [geïntimeerde] erkent dat een (groot) gedeelte van de koopprijs door [appellant] is betaald met onder uitsluiting verkregen schenkingen, geldt dat niet voor het volledige bedrag. Onduidelijk is welk bedrag is voldaan met onder uitsluiting verkregen schenkingen. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] lag het op de weg van [appellant] om zijn stelling in dit verband nader toe te lichten en te onderbouwen. Dat heeft hij nagelaten en dat komt voor zijn rekening. Grief 1 faalt.
De verkoop van de woning aan [adres B] (grief 2)
4.6.1.
De tweede grief van [appellant] richt zich tegen de beslissing van de rechtbank dat de woning aan [adres B] moet worden verkocht en geleverd aan een derde. In zijn toelichting voert hij aan dat hij voornemens is om de woning te behouden en daar te gaan wonen. [appellant] is verder bezig om ‘financieel alles op een rijtje te krijgen’ zodat [geïntimeerde] kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op die woning gevestigde hypothecaire geldlening.
4.6.2.
[geïntimeerde]
weerspreekt de grief en wijst erop dat [appellant] , blijkens de toelichting op zijn grief, kennelijk niet bereid is om [geïntimeerde] haar aandeel in de overwaarde uit te keren. Gelet op die overwaarde en op het feit dat [appellant] € 160.000,-- vanwege verbeurde dwangsommen aan haar moet betalen, is niet aannemelijk dat hij financieel in staat zal zijn om de woning aan zich te laten toedelen. [appellant] legt wederom geen enkel stuk over waaruit volgt dat dit anders is.
4.6.3.
Het hof stelt voorop dat in deze procedure door [geïntimeerde] is verzocht om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. Daarmee is een beroep gedaan op art. 3:185 BW dat in het eerste lid bepaalt dat:
‘Voor zover de deelgenoten en zij wier medewerking vereist is, over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, gelast op vordering van de meest gerede partij de rechter de wijze van verdeling of stelt hij zelf de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.’
De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een grote mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd. Hij hoeft voorts niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren (HR 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631). Wel dient de rechter naar redelijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang.
[appellant] heeft niet aangevoerd dat de rechtbank bij de door haar vastgestelde verdeling naar billijkheid geen rekening heeft gehouden met de belangen van partijen, meer in het bijzonder die van [appellant] , of met het algemeen belang. [appellant] heeft evenmin aangetoond dat hij in staat is de helft van de overwaarde van [geïntimeerde] te voldoen en haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen realiseren. Het enkele feit dat [appellant] liever ziet dat de woning aan hem wordt toegedeeld, kan zijn grief niet dragen. Zoals hiervoor al werd overwogen is de rechter niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer vorderen en geniet hij een ruime mate van vrijheid bij het vaststellen van de verdeling. In de gegeven omstandigheden dient de woning daarom te worden verkocht en geleverd aan een derde. Grief 2 faalt daarom.
De toedeling van de activa en passiva van de eenmanszaak (grief 3)
4.7.1.
De rechtbank heeft de activa en passiva van de eenmanszaak aan [appellant] toegedeeld. De grief van [appellant] richt zich niet tegen de toedeling van de activa en passiva van de eenmanszaak maar tegen de beslissing dat hij vanwege deze toedeling een bedrag van € 45.000,-- aan [geïntimeerde] verschuldigd is vanwege overbedeling. In eerste aanleg is [geïntimeerde] uitgegaan van geschatte gegevens. Uit de juiste, actuele en complete gegevens, die hij bij akte van 12 november 2024 heeft overgelegd, kan niet anders dan worden geconcludeerd dan dat de waarde van de eenmanszaak nihil is.
4.7.2.
[geïntimeerde]
erkent dat zij in eerste aanleg is uitgegaan van geschatte gegevens. Naar aanleiding van bij akte van 12 november 2024 door [appellant] overgelegde jaarrekeningen wijst zij op het negatieve [het hof begrijpt] werkkapitaal in 2019 van € 52.622,--.
Procesverloop
Daarnaast wijst zij op het door [appellant] gegenereerde inkomen in 2020 (€ 2.258,--) en het negatieve resultaat in datzelfde jaar (-/- € 5.345,--).
4.7.3.
Het hof overweegt dat [geïntimeerde] haar vordering in eerste aanleg, bij gebreke van financiële stukken, heeft gebaseerd op geschatte gegevens. Die financiële stukken zijn door [appellant] bij akte van 12 november 2024 in het geding gebracht. Hij concludeert dat daaruit volgt dat de waarde van de eenmanszaak nihil is. Dat heeft [geïntimeerde] niet weersproken. Het ligt voorts op de weg van [geïntimeerde] om haar stelling, die zij in eerste aanleg heeft ingenomen, dat de activa en passiva van de eenmanszaak een waarde van € 90.000,-- vertegenwoordigen, tegenover de gemotiveerde betwisting door [appellant] , nader toe te lichten en te onderbouwen. Dat heeft zij nagelaten. Sterker, [geïntimeerde] heeft naar aanleiding van de door [appellant] overgelegde stukken zich in dit verband in het geheel niet inhoudelijk uitgelaten en zich in haar antwoordakte beperkt tot de constatering dat het werkkapitaal van de eenmanszaak in 2019 negatief was en het resultaat in 2020 eveneens negatief. Bij die stand van zaken kan de vordering van [geïntimeerde] op dit punt niet worden toegewezen. Dit betekent dus dat grief 3 slaagt.
De toedeling van de bankrekeningen (grief 4)
4.8.1.
Grief 4 van [appellant] richt zich tegen de beslissing van de rechtbank ter zake van de verdeling van een drietal (saldi van de) bankrekeningen van partijen. Hij licht dit toe en brengt in dit verband naar voren dat de rekeningen met nrs. [bankrekening A] en [bankrekening D] hem onbekend zijn. De bankrekening met nr. [bankrekening C] is opgeheven.
4.8.2.
[geïntimeerde]
wijst erop dat [appellant] structureel gelden heeft overgemaakt naar de betreffende rekeningen. Ten aanzien van de rekening met nr. [bankrekening D] en met nr. [bankrekening C] legt zij hiervan stukken (prod. 4 en 5 bij mva) over.
4.8.3.
Het hof stelt voorop dat tegen de door de rechtbank vastgestelde peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap niet is gegriefd. De peildatum is derhalve 20 mei 2022. Het geschil van partijen beperkt zich in hoger beroep tot de saldi op die peildatum van de bankrekeningen met nrs. [bankrekening A] , [bankrekening D] en [bankrekening C] .
Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit volgt dat de bankrekening bij [bank A] met nr. [bankrekening A] op naam van [appellant] staat of van zijn eenmanszaak. In zoverre slaagt de grief. Waar het betreft de rekeningen met nrs. [bankrekening D] en [bankrekening C] volgt uit de door [geïntimeerde] bij de memorie van antwoord overgelegde producties 4 en 5 dat kort voor de peildatum nog bedragen zijn overgemaakt van en naar de betreffende rekeningen. Het standpunt van [appellant] dat hij de rekening niet kent ( [bankrekening D] ) dan wel heeft beëindigd ( [bankrekening C] ) en daarover geen nadere informatie kan verstrekken, had hij in het licht van de gemotiveerde onderbouwing door [geïntimeerde] , nader moeten toelichten. Dat hij dit heeft nagelaten, komt voor zijn rekening. In zoverre faalt de grief.
Het hof leest de grief van [appellant] , in samenhang met hetgeen hij naar voren brengt in zijn resumé, zo dat hij daarmee niet slechts opkomt tegen de toedeling van de saldi van de diverse bankrekeningen maar daarmee ook tegen het door de rechtbank in dit verband bepaalde bedrag aan overbedeling. Op dat punt slaagt de grief. De vordering van [geïntimeerde] om te bepalen dat aan haar in dit verband een bedrag van € 100.000,-- toekomt uit hoofde van overbedeling, grondt zij op de weigering door [appellant] om inzage te verschaffen in de saldi per peildatum enerzijds en anderzijds op een door haar zelf opgesteld overzicht van bedragen die in 2022 zijn overgemaakt naar onder meer de rekening in Litouwen. Dit overzicht van [geïntimeerde] gaat niet vergezeld van onderliggende stukken zodat het hof de door [geïntimeerde] gestelde bedragen niet kan vaststellen. [geïntimeerde] schat op basis van dit overzicht het totaal aan saldi op de beleggingsrekeningen op € 200.000,--. Hoewel het hof [geïntimeerde] volgt in haar standpunt dat het aan [appellant] is om inzage te verschaffen in de saldi per peildatum, is hetgeen zij in dit verband naar voren heeft gebracht onvoldoende om haar vordering te kunnen dragen. Het hof ziet daarom aanleiding om het vonnis van de rechtbank op dit punt te vernietigen en te bepalen dat de saldi van de rekeningen met nrs. [bankrekening D] en [bankrekening C] , alsook het saldo van de rekening met nr. [bankrekening B] (waartegen immers geen grief is gericht), aan [appellant] worden toegedeeld onder de verplichting om de helft van de saldi per peildatum aan [geïntimeerde] te vergoeden. Omdat [appellant] uitdrukkelijk niet grieft tegen de beslissing van de rechtbank betreffende de bankrekening bij ABN AMRO met nr. [bankrekening E] zal het hof de beslissing op dit punt bekrachtigen.
Bewijsaanbod
4.9.
De door partijen over en weer gedane bewijsaanbiedingen zijn niet voldoende specifiek, zodat het hof daaraan voorbijgaat.
5De slotsom
5.1.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grieven van [appellant] gedeeltelijk slagen. Dit betekent dat het hof het bestreden vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, deels zal vernietigen en deels zal bekrachtigen. Hetgeen [geïntimeerde] in eerste aanleg naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.
5.2.
Het hof ziet in hetgeen partijen in dit verband naar voren hebben gebracht geen aanleiding om af te wijken van het bepaalde in art. 237 jo. art. 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) en zal de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep draagt.
6De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 12 juni 2024 (zaak-/rolnummer C/01/401486 / HA ZA 24-123), maar uitsluitend waar het betreft het bedrag van € 45.000,-- dat [appellant] verschuldigd is uit hoofde van de toedeling van de activa en passiva van de eenmanszaak en het bedrag van € 100.000,-- dat [appellant] verschuldigd is uit hoofde van de toedeling aan hem van de saldi van de bankrekeningen;
bepaalt dat de activa en passiva van de eenmanszaak van [appellant] aan hem worden toegedeeld zonder nadere verrekening;
bepaalt dat de saldi van de bankrekeningen met nrs. [bankrekening B] , [bankrekening D] en [bankrekening C] aan [appellant] worden toegedeeld onder de verplichting om de helft van het saldo per peildatum aan [geïntimeerde] te vergoeden;
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 12 juni 2024 voor het overige;
verklaart dit arrest tot zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten in het hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.F. Manders, P.P.M. van Reijsen en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 april 2025.
griffier rolraadsheer