Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-10-24
ECLI:NL:CRVB:2022:2390
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
1,138 tokens
Procesverloop
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 8 februari 2021, 20/1880, in het geding tussen verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van Lelystad en een verzoek om schadevergoeding ingediend
Bij uitspraak van 10 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:608, heeft de Raad de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade afgewezen. Van deze uitspraak heeft verzoekster herziening verzocht.
Op 26 april 2022 heeft verzoekster verzocht om wraking van de rechters H. Lagas, J.T.H. Zimmerman en P.J. Stolk, die de uitspraak hebben gedaan.
Bij beslissing van 14 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1471, heeft de Raad het verzoek om wraking afgewezen.
Verzoekster heeft door middel van brieven van 7 juli 2022, 11 juli 2022 en 17 juli 2022 klachten ingediend en vragen gesteld over de afhandeling van haar hogerberoepszaak, die bij de Raad is afgesloten met de uitspraak van 10 maart 2022 en waarvan zij nu herziening heeft gevraagd. In deze brieven zijn ook verzoeken opgenomen om wraking, opnieuw van H. Lagas, voorzitter van de meervoudige kamer die de uitspraak van 10 maart 2022 heeft gedaan, en van T. Avedissian, president van de Raad, die op eerdergenoemde klachten heeft beslist.
De verzoeken om wraking zijn voor afhandeling overgedragen aan de wrakingskamer.
Verzoekster heeft op 17 augustus 2022, 22 augustus 2022 en 30 september 2022 aandacht gevraagd voor de stukken die zij eerder heeft ingezonden. Daarbij heeft zij ook nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de strekking van het middel van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2.1.1.
Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 (Stcrt. 2021, 48959; hierna Regeling) bepaalt dat de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden kan beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen, indien het is gedaan nadat in de hoofdzaak de einduitspraak openbaar is gemaakt.
2.1.2.
Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Regeling bepaalt dat de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden kan beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen, indien het geen betrekking heeft op een met de behandeling van de zaak belast lid van het college.
3.1.1.
De Raad heeft op 10 maart 2022 uitspraak gedaan op het hoger beroep van verzoekster en haar verzoek om schadevergoeding. De beslissing is die dag ook in het openbaar uitgesproken.
3.1.2.
Anders dan verzoekster naar voren heeft gebracht is er, zoals ook aan haar is meegedeeld in de beslissing op haar klacht van 11 augustus 2022, geen aanleiding te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van de uitspraak van 10 maart 2022 op het hoger beroep. Voor het wrakingsverzoek ten aanzien van H. Lagas geldt daarom dat het, net als het verzoek dat heeft geleid tot de onder het procesverloop genoemde beslissing van 14 juni 2022, is ingediend nadat uitspraak is gedaan in de hoofdzaak.
3.2.
Voor het wrakingsverzoek ten aanzien van T. Avedissian geldt dat het geen betrekking heeft op een rechter die met de behandeling van de zaak van verzoekster is belast. De wrakingsregeling in de Awb biedt geen grondslag voor een wraking in een klachtenprocedure.
3.3.
Gelet op wat hiervoor is overwogen zal worden bepaald dat de wrakingsverzoeken niet in behandeling worden genomen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat de verzoeken om wraking van H. Lagas en T. Avedissian niet in behandeling worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door E. Dijt als voorzitter en T. Dompeling en S.B. SmitColenbrander als leden, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2022.
(getekend) E. Dijt
(getekend) S.C. Scholten