Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-06-16
ECLI:NL:CRVB:2023:1155
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
1,456 tokens
Procesverloop
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 10 maart 2022 in het geding tussen verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad.
De behandeling ter zitting van het verzoek om herziening heeft plaatsgevonden op 24 februari 2023. Deze zitting is voorgezeten door J.J.T. van den Corput, lid van de enkelvoudige kamer (behandelend rechter).
Verzoekster heeft aan het eind van de behandeling ter zitting verzocht om wraking van de behandelend rechter.
Verzoekster en de behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord ter zitting van de Raad op 26 april 2023.
Verzoekster heeft op 15 april 2023 gevraagd om uitstel van de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting. Dat verzoek is door de Raad op 19 april 2023 afgewezen. Aan verzoekster is daarbij meegedeeld dat wat als onderbouwing van het verzoek naar voren is gebracht, voldoende is geacht om het verzoek te behandelen en dat zij ter zitting gelegenheid krijgt haar verzoek nader toe te lichten. Verzoekster heeft op 21 april 2023 opnieuw verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting. Dat verzoek is op 24 april 2023 afgewezen.
Vervolgens heeft verzoekster op 25 april 2023 verzocht om wraking van de wrakingskamer. Bij beslissing van 31 mei 2023 is dat verzoek buiten behandeling gesteld. In de beslissing is aan verzoekster ook meegedeeld dat een volgend verzoek om wraking in deze zaak niet in behandeling zou worden genomen.
Op 2 juni 2023 heeft verzoekster de Raad onder meer laten weten dat zij tijd wil hebben om de gronden voor haar wrakingsverzoek schriftelijk in te dienen en dat zij om die reden (opnieuw) uitstel vraagt van de zitting. Op 5 juni 2023 is verzoekster meegedeeld dat dat verzoek is afgewezen.
Verzoekster heeft op 5 juni 2023 opnieuw verzocht om wraking van de wrakingskamer. Dat verzoek is niet in behandeling genomen.
Het verzoek om wraking van de behandelend rechter is vervolgens ter zitting van 9 juni 2023 behandeld. Verzoekster is niet verschenen. De behandelend rechter heeft laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.
Overwegingen
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Verzoekster heeft naar voren gebracht dat de behandelend rechter volgens haar vooringenomen is. Zij heeft daartoe blijkens het proces-verbaal van de zitting van 24 februari 2023 het volgende naar voren gebracht:
“Ik vind u heel erg vooringenomen. Ik vind het jammer dat u dat zo doet. Bij deze
wraak ik de rechter op dit moment, omdat ik vind dat het onherroepelijke karakter van de besluiten, naar aanleiding van de voorafgaande besluiten, nog een keer bekeken had kunnen worden. Dat is ook een vorm van een herziening. Als dus de inhoudelijke afweging niet juist is genomen op basis van feiten die ik daadwerkelijk heb aangevoerd mét bewijslast... dat zou ook een onderdeel kunnen uitmaken van een herziening. Daarbij is misbruik gemaakt van de rechtspraak of van het rechtsproces, omdat er kansen zijn verlopen want de rechtbank heeft haar werk in dit geval niet zorgvuldig gedaan. Daarbij zijn de kansen verlopen om mijn recht zuiver te kunnen afwegen in deze zaak. Dan vind ik dat u een vooringenomen houding heeft aangenomen. Ik vind dat het deel kan uitmaken van de herziening. Ook is de inhoudelijke afweging niet deugdelijk.”
3.1.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter moet verder het uitgangspunt zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010).
3.2.
Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de behandelend rechter tijdens de behandeling het bijzondere karakter van het rechtsmiddel herziening en het daarbij behorende toetsingskader heeft uiteengezet. Daarnaast heeft hij verzoekster de vraag voorgehouden of in het voorliggende geval sprake is van feiten op grond waarvan volgens de wet een verzoek om herziening kan worden toegewezen. Een dergelijke wijze van behandeling is geen aanwijzing voor vooringenomenheid. Op deze wijze heeft de behandelend rechter de mogelijkheid geboden om ter zitting nadrukkelijk in te gaan op mogelijk aanwezige juridische knelpunten, in plaats van verzoekster daarmee – eventueel – pas in de uitspraak te confronteren.
3.3.
Het vorenstaande betekent dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en E.W. Akkerman en E.C.E. Marechal als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2023.
De griffier. De voorzitter.
(getekend) R. van Doorn (getekend) E.J.M. Heijs
ECLI:NL:CRVB:2022:608.
ECLI:NL:CRVB:2023:1031.
ECLI:NL:HR:2010:BM9141.