Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-12-14
ECLI:NL:CRVB:2016:4968
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,356 tokens
Inleiding
14/4869 WIA
Datum uitspraak: 14 december 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
14 juli 2014, 14/1259 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[werknemer] te [woonplaats] (werknemer)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. L.K. Wouterse, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2016. Appellante, hoewel opgeroepen om te verschijnen, en mr. Wouterse zijn met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs. Werknemer is niet verschenen.
Overwegingen
1.1.
Werknemer is sinds 2001 in dienst van appellante als lasser. Hij is op 10 juli 2008 uitgevallen met knieklachten na een val op het werk. Na een operatie en langdurige revalidatie heeft hij in maart 2010 gedeeltelijk in aangepaste werkzaamheden als lasser hervat. Op de aanvraag van werknemer om hem met ingang van 8 juli 2010 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 9 juni 2010 afwijzend beslist op de grond dat werknemer na afloop van de wettelijke wachttijd van 104 weken minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Werknemer had op dat moment het eigen werk nagenoeg volledig hervat.
1.2.
Met een op 30 juli 2013 door het Uwv ontvangen formulier heeft werknemer melding gemaakt van een sinds 3 juni 2013 verslechterde gezondheid en daarmee opnieuw een
WIA-uitkering aangevraagd. In verband met knieklachten had hij zich bij appellante op 3 juni 2013 voor zijn werk als lasser ziek gemeld. In september 2013 is werknemer weer gestart met het verrichten van aangepaste werkzaamheden als lasser.
1.3.
Een verzekeringsarts van het Uwv heeft op grond van informatie van de behandelend artsen van werknemer geconcludeerd dat er vanaf 3 juni 2013 sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid van werknemer als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak als in de periode van 2008 tot 2010. Bij besluit van 27 november 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat werknemer met ingang van 3 juni 2013 in aanmerking komt voor een loongerelateerde
WGA-uitkering. Daarbij is het maandelijks aan uitkering te betalen bedrag op nihil gesteld, omdat het maandinkomen van werknemer het WIA-maandloon overtreft.
1.4.
Appellante heeft tegen het besluit van 27 november 2013 bezwaar gemaakt. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij weliswaar aan werknemer na zijn uitval op 3 juni 2013 loon is blijven betalen, maar dat dit loon niet met de WIA-uitkering mag worden verrekend. Bij besluit van 26 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is voor appellante op 3 juni 2013 een nieuwe loondoorbetalingsverplichting ontstaan op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW) omdat werknemer na zijn vorige uitval ten minste vier weken de bedongen arbeid volledig heeft hervat.
2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante op 3 juni 2013 opnieuw de verplichting heeft om gedurende 104 weken loon door te betalen, omdat werknemer na de vorige uitval weer bijna drie jaar als lasser heeft gewerkt en er slechts een beperkte aanpassing van zijn werkzaamheden is geweest.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat de wetgever niet bedoeld kan hebben dat een werkgever een oneindige loondoorbetalingsverplichting heeft jegens zijn zieke werknemer. Met de uitleg die de rechtbank aan artikel 7:629, vijfde lid, van het BW heeft gegeven, wordt voorbij gegaan aan de bedoeling van de wetgever met de invoering van de zogenoemde Amber-bepalingen en is het voor een werkgever onaantrekkelijk om langdurige zieke werknemers in dienst te houden.
3.2.
Het Uwv heeft gesteld dat na de eerdere ziekteperiode in 2010 sprake is geweest van een volledige hervatting van de bedongen arbeid door werknemer en dat de wijziging van zijn takenpakket niet relevant is, omdat daarvoor geen medische noodzaak was. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 61, eerste lid, van de Wet WIA is geregeld op welke wijze en met medeneming van welke factoren de loongerelateerde WGA-uitkering per kalendermaand moet worden berekend. Onderdeel van die berekening is het inkomen van een betrokkene per kalendermaand (B-factor). Niet in geschil is dat appellante werknemer vanaf 3 juni 2013 een bedrag van € 2.183,92 per maand aan loon heeft betaald. Dit maandinkomen overtreft het eveneens niet in geschil zijnde WIA-maandloon van € 2.087,78 en leidt tot een uitkering van € 0,00 per maand.
4.2.
De vraag die partijen verdeeld houdt, is of appellante zich terecht op het standpunt stelt dat zij op grond van artikel 7:629 van het BW na de hernieuwde uitval in 2013 niet tot loonbetaling aan werknemer gehouden was.
4.3.
Op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op loondoorbetaling, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van (onder meer) ziekte daartoe verhinderd was. Op grond van artikel 7:629, vijfde lid, van het BW wordt het loon verminderd met het bedrag van de uitkering die de werknemer toekomt krachtens een verzekering of uit een fonds, voor zover die uitkering betrekking heeft op de bedongen arbeid waaruit het loon wordt genoten.
4.4.
In zijn uitspraak van 21 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1757) heeft de Raad onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2011 (Kummeling/Oskam, ECLI:NL:HR:2011:BQ8134) overwogen dat in een geval als dat van appellante, waarin sprake is geweest van re-integratie van een werknemer in het bedrijf van de werkgever, voor het ontstaan van een nieuwe loondoorbetalingsplicht van de werkgever bepalend is of de (passende) werkzaamheden die de werknemer als gevolg van de re-integratie is gaan verrichten, moeten worden aangemerkt als nieuw bedongen arbeid. Of met re-integratieafspraken tussen de werkgever en de werknemer over de te verrichten (passende) werkzaamheden, betrekking hebbend op aard, inhoud of duur ervan, de bedongen arbeid is gewijzigd, moet worden bepaald met de maatstaf die volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 13 maart 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4158) en 5 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY8101) ongeacht of die afspraken mondeling of schriftelijk zijn gemaakt.
4.5.
Appellante heeft in haar hogerberoepschrift gesteld dat zij en werknemer geen re-integratie-afspraken hebben gemaakt die hebben geleid tot wijziging van de aanvankelijk overeengekomen arbeidsvoorwaarden, zodat niet kan worden gesproken van nieuw bedongen arbeid na het doorlopen van de eerste wachttijd in de zin van de Wet WIA. Uit het arrest Kummeling/Oskam volgt dat voor appellante bij de uitval van werknemer op 3 juni 2013 geen nieuwe loondoorbetalingsplicht is ontstaan als werknemer na afloop van de wachttijd in 2010 passende werkzaamheden is blijven verrichten zonder dat de passende arbeid de bedongen arbeid is geworden. Anders is de situatie in het geval werknemer na afloop van die wachttijd op enig moment zijn eigen arbeid volledig heeft hervat. Dan is immers aan de periode van re-integratie een einde gekomen en vloeien uit (onder meer) de artikelen 7:658a en 7:660a van het BW voor appellante en werknemer geen verplichtingen meer voort. Voor beantwoording van de vraag of het Uwv terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat appellante vanaf 3 juni 2013 gedurende 104 weken loon aan werknemer moet doorbetalen, is het dus nodig om vast te stellen of werknemer op enig moment na juli 2010 volledig heeft hervat in de eigen arbeid of dat hij passende werkzaamheden is blijven verrichten.
4.6.
De stelling van appellante is dat werknemer passende werkzaamheden is blijven verrichten, omdat na juli 2010 het rondbrengen van onderdelen niet langer tot zijn takenpakket heeft behoord. In het door appellante in beroep ingebrachte rapport van arbeidsdeskundige J. Giesbers van de arbodienst Stimulanz zijn de werkzaamheden van werknemer in 2008 en in 2013 beschreven.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2016.
(getekend) M. Greebe
(getekend) I.G.A.H. Toma
IJ