Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2015-11-12
ECLI:NL:RBGEL:2015:7002
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,148 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 14/2137
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.A.W. Terpstra),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Arnhem, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2013 (hierna: het primaire besluit) is de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) van de (ex)werknemer van eiseres, [werkneemster] (hierna: de werkneemster) per 16 juli 2013 ingetrokken en omgezet in een uitkering op grond van de regeling Inkomensvoorziening Volledig duurzaam Arbeidsongeschikten (IVA-uitkering).
Bij besluit van 11 februari 2014 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Werkneemster heeft bij verklaring van 29 april 2014 meegedeeld niet als belanghebbende partij aan het geding te willen deelnemen. Wel is door haar toestemming verleend om stukken die haar (medische) gegevens bevatten aan partijen in dit geding toe te sturen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2014. Eiseres is verschenen, vertegenwoordigd door J.G. Eefting, HRM-adviseur en gemachtigde mr. A.A.W. Terpstra. Verweerder is, met kennisgeving vooraf, niet ter zitting verschenen. Aan het einde van de zitting is het onderzoek gesloten.
Op 13 november 2014 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder een aantal vragen gesteld.
Bij brief van 8 december 2014 heeft verweerder hierop gereageerd. Vervolgens heeft eiseres bij brief van 23 december 2014 daar weer op gereageerd.
Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven zonder nadere zitting uitspraak te doen.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Werkneemster is vanaf 23 augustus 2004 in dienst van eiseres als productiemedewerkster voor 36 uur per week. Op 1 september 2010 heeft werkneemster zich vanuit deze functie ziek gemeld en per einde wachttijd is aan werkneemster, bij besluit van 12 september 2012, per 29 augustus 2012 een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend, waarbij zij voor 45-55% arbeidsongeschikt is geacht. Per 16 juli 2013 is werkneemster volledig uitgevallen voor haar werk bij eiseres vanwege toegenomen klachten. Bij het primaire besluit van 4 september 2013 is de WGA-uitkering per 16 juli 2013 ingetrokken en omgezet in een IVA-uitkering. Daarbij heeft verweerder meegedeeld dat bij de uitbetaling van de IVA-uitkering 104 weken rekening zal worden gehouden met het inkomen van werkneemster bij eiseres.
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt omdat zij vanaf 1 september 2010 al 104 weken loon heeft doorbetaald, zodat haar loondoorbetalingsplicht is geëindigd. Verweerder heeft bij de uitbetaling van de uitkering daarom volgens eiseres ten onrechte rekening gehouden met inkomen van werkneemster bij eiseres.
In het bestreden besluit stelt verweerder dat werkneemster nieuw werk heeft bedongen, op grond waarvan een loondoorbetalingsplicht van 104 weken bestaat. Daartegen komt eiseres in beroep op.
2. Tussen partijen is aldus in geschil of eiseres ten opzichte van werkneemster verplicht is loon door te betalen. Ondanks dat de rechtbank vast stelt dat dit de relatie tussen werkneemster en eiseres betreft die wordt beheerst door het burgerlijke recht en het bestreden besluit in zoverre geen rechtsplichten voor eiseres schept, leidt de rechtbank uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 21 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1757, af dat eiseres naast (categoraal) belanghebbende ook procesbelang ter zake heeft. In die zaak was immer een soortgelijk geval aan de orde.
3. In voormelde uitspraak van de CRvB van 21 mei 2014 heeft de CRvB het volgende overwogen.
“4.4.1 In zijn arrest van 30 september 2011(ECLI:NL:HR:2011:BQ8134) heeft de Hoge Raad met betrekking tot het wettelijk stelsel van artikel 7:629 van het BW overwogen dat de werkgever in geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer enerzijds gehouden is gedurende 104 weken het naar tijdsruimte vastgestelde loon binnen de grenzen zoals bepaald in artikel 7:629 lid 1 te betalen, en anderzijds gedurende die periode de re-integratie van zijn werknemer binnen het eigen bedrijf, dan wel het bedrijf van een andere werkgever, te bevorderen. Dit stelsel brengt volgens de Hoge Raad mee dat, indien de werkgever als gevolg van de re-integratie andere (passende) werkzaamheden is gaan verrichten, zonder dat de passende arbeid de bedongen arbeid is geworden, en de werknemer na afloop van de periode van 104 weken opnieuw door ziekte uitvalt, de werkgever niet gehouden is (wederom) diens loon door te betalen (overweging 3.7.2 van het arrest).
4.4.2 In gevallen als deze, waarin sprake is van re-integratie van een werknemer in het bedrijf van de werkgever, is voor een nieuwe loondoorbetalingsplicht van de werkgever bepalend of de (passende) werkzaamheden die de werknemer als gevolg van de re-integratie is gaan verrichten, moeten worden aangemerkt als nieuw bedongen arbeid.
4.4.3 Re-integratieafspraken tussen werkgever en werknemer over de te verrichten (passende) werkzaamheden in het bedrijf kunnen mondeling of schriftelijk worden aangegaan, summier of meer uitvoerig. Een, in welke vorm dan ook, gemaakte afspraak over wijziging in aard, inhoud of duur van de werkzaamheden zal met betrekking tot de daaraan te verbinden gevolgen als hier aan de orde moeten worden bezien in het licht van het door de Hoge Raad weergegeven wettelijk stelsel. Zodanige afspraak zal daarbij moeten worden uitgelegd aan de hand van de maatstaf die is neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, (ECLI:NL:HR:1981:AG4158). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY8101) die maatstaf herhaald en geoordeeld dat ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (overweging 3.4.3 van het arrest van 5 april 2013). Dit is niet anders als sprake is van afspraken over het in situaties als hier aan de orde gaan verrichten van passende werkzaamheden.”
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk dient te maken dat sprake is van nieuw bedongen arbeid. In het bestreden besluit wordt daartoe slechts verwezen naar de arbeidskundige rapportage van 11 september 2012. Uit die rapportage blijkt dat telefonisch contact heeft plaatsgevonden met eiseres en een salarisberekening is gemaild van de verdienste in een herplaatste functie op een afdeling met de minste prikkels bij een arbeidsomvang van 18 uur per week In het verweerschrift voegt verweerder toe dat nergens uit blijkt dat werkneemster op arbeidstherapeutische basis aan het werk is. Daarom gaat verweerder ervan uit dat de arbeidsomvang van 36 naar 18 uur is verminderd. Dat er geen nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst is, is niet doorslaggevend, aldus verweerder.
5. De rechtbank leidt uit voormelde uitspraak af dat bij de vraag of sprake is van nieuw bedongen arbeid de aard, inhoud en duur van de overeengekomen arbeid dient te worden betrokken. De rechtbank stelt daarbij voorop dat niet is gebleken van enige schriftelijke afspraken tussen eiseres en haar werkneemster over aanpassing van de overeengekomen arbeid.
Uit het dossier blijkt voorts niet dat de aard of inhoud van het werk van werkneemster is veranderd. In alle in het dossier aanwezige stukken wordt het werk aangeduid als productiewerk. Dat eiseres is gaan werken op een andere locatie brengt op zichzelf niet mee dat sprake is van nieuw bedongen arbeid. Voor zover verweerder op grond van de mededeling in de rapportage van 11 september 2012, dat werkneemster werkt op de afdeling met de minste prikkels, heeft aangenomen dat dit een andere afdeling was dan waar werkneemster eerst werkte, is deze aanname onjuist. Eiseres heeft in beroep onbestreden gesteld dat werkneemster steeds op dezelfde afdeling is blijven werken. Dit was al de afdeling met de minste prikkels.
Wat betreft de duur-omvang van de overeengekomen arbeid is van belang dat uit de salarisstroken van werkneemster steeds volgt dat zij een dienstverband van 36 uur had, maar slechts die uren betaald kreeg die zij werkte. Dat uit de bij de rapportage van 11 september 2012 gevoegde salarisstrook van september 2012 een uur-omvang van 18 uur per week blijkt, heeft naar het oordeel van de rechtbank geen betekenis. Bij de bij die salarisstrook gevoegde email wordt namelijk het volgende vermeld: “Bijgaand stuur ik u een pro-forma loonberekening voor werkneemster bij een dienstverband van 50% (=18 uur)”. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat deze salarisstrook niet de feitelijke en juridische situatie weergaf, maar slechts bedoeld was om een beeld te geven van de hoogte van het salaris voor 18 uur per week. Niet is aldus gebleken dat tussen eiseres en werkneemster is overeengekomen de urenomvang van de arbeid van 36 naar 18 te verminderen.
6. Uit het voorgaande volgt dat verweerder er ten onrechte vanuit is gegaan dat voor werkneemster sprake is van nieuw bedongen arbeid. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verklaart het bezwaar van eiseres gegrond en herroept het primaire besluit voor zover het betreft de berekening van de hoogte van de bruto uitkering;
stelt de hoogte van de bruto uitkering vast op 75% van het WIA-maandloon;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1225;
gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 328 aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzitter, mr. E.C.G. Okhuizen en mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechters, in tegenwoordigheid van H. de Groot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.