Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-07-28
ECLI:NL:RBAMS:2022:5064
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,630 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/122901-22
RK nummer: 22/2775
Datum uitspraak: 28 juli 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 mei 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 juni 2019 door the Buda Central District Court in Budapest (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Ghana) op [geboortedag] 1958,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het Justitieel Complex [plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 juli 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Engelse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse en Ghanese nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een Decision No. 01000/1355/2018.bü of the Budapest Police Headquarters, Department Combating Corruption and Economic Crimes, Division for Economic Protection, dated 04 October 2018, on the issuance of an arrest warrant, which was approved by the Chief Prosecution Office of Budapest under No. NF.8514/2018 on 27 December 2018.
Type: national (domestic) arrest warrant.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Hongaars recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 9, te weten:
witwassen van opbrengsten van misdrijven.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
5Detentieomstandigheden
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft gesteld dat de detentieomstandigheden in Hongarije onder de maat zijn. Een ‘personal space’ van drie vierkante meter kan niet worden gegarandeerd. Ter ondersteuning van zijn betoog heeft de raadsman een rapport van het ‘Hungarian Helsinki Committee’ overgelegd. Nu de detentieomstandigheden een bron van zorg zijn, dient de overlevering te worden geweigerd. Subsidiair heeft de raadsman aanhouding van de zaak bepleit om de Hongaarse autoriteiten te vragen waar de opgeëiste persoon na overlevering zal worden gedetineerd.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft erop gewezen dat deze rechtbank eerder heeft geoordeeld dat in Hongaarse detentie-instellingen niet langer sprake is van een algemeen gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling. Het individuele gevaar op een dergelijke behandeling hoeft daarom niet te worden onderzocht, aldus de officier van justitie.
Beoordeling
Bij uitspraak van 27 augustus 2019 heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat niet langer sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentie-instellingen. De rechtbank beschikte toen niet over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden in Hongarije die leidden tot het oordeel dat gedetineerden in Hongarije een gevaar liepen op een onmenselijke of vernederende behandeling. In die situatie is sindsdien niets veranderd. De enkele verwijzing naar het door de raadsman overgelegde rapport is daarvoor onvoldoende. De detentieomstandigheden in Hongarije staan overlevering aan de Hongaarse autoriteiten niet in de weg.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
7Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Buda Central District Court in Budapest (Hongarije) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. A.J. Scheijde en J.H. Beestman, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 28 juli 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBAMS:2019:6354