Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2020-05-22
ECLI:NL:RBAMS:2020:2673
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,290 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751034-20 (EAB II)
RK nummer: 20/349
Datum uitspraak: 22 mei 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 januari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 november 2017 door de Central District Court of Buda (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
,
geboren te [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedag] 1977,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘[locatie]’ te [plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 mei 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp, en door een tolk in de Engelse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting, via telehoren, verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een nationaal aanhoudingsbevel, te weten the order of the Budapest Metropolitan General Prosecutor’s Office on the issue of an arrest warrant van
20 november 2017 (referentie: G. 12470/2015/33-11).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Hongaars recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 9, te weten:
witwassen van opbrengsten van misdrijven.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Hongaars recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
5Onschuldverweer
De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. Voor toewijzing van een onschuldverweer is slechts plaats als de gestelde onschuld van de opgeëiste persoon tijdens het verhoor bij de rechtbank is aangetoond. Van een dergelijke situatie is geen sprake. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering. De rechtbank verwerpt het verweer.
6Detentieomstandigheden
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering van de opgeëiste persoon dient te worden geweigerd op grond van artikel 11 van de OLW. Uit het Report to the Hungarian Government on the visit to Hungary carried out by the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) from
20 to 29 November 2018 van 17 maart 2020 (hierna: het rapport), blijkt dat de detentieomstandigheden in Hongarije aanzienlijk zijn verbeterd ten opzichte van enkele jaren geleden. Uit het rapport blijkt echter ook dat bij aanhoudingen van verdachten soms onnodige of buitensporige kracht wordt gebruikt en jegens sommige verdachten na aankomst op het politiebureau fysiek geweld werd toegepast. Bovendien werd door meerdere personen aangegeven dat sprake is geweest van verbale mishandeling van racistische aard. Hongarije heeft met betrekking tot de opgeëiste persoon een EAB uitgevaardigd met het oog op vervolging. Nu de opgeëiste persoon nog nooit in deze zaak door de politie is verhoord, staat vast dat dit nog zal plaatsvinden. Het is daarbij goed denkbaar dat hij naar een politiebureau zal worden gebracht. In het kader van het bovenstaande is het bovendien van belang dat de opgeëiste persoon een donkere huidskleur heeft.
Met het oog op het voorgaande bestaat er een op feiten en omstandigheden gegrond vermoeden dat inwilliging van het verzoek zou leiden tot flagrante schending van artikel 4 van het
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) en artikel 3 van het Europees Verdrag voor bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Dit geldt te meer nu Hongarije zowel in 2017 als in 2019 door het
Europees Hof van de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) is veroordeeld voor schendingen van artikel 3 EVRM. De raadsman verwijst in dat verband naar de arresten van 16 april 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0416JUD004845514 (nr. 48455/14, hierna: Csonka t. Hongarije) en
31 oktober 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:1031JUD004585512 (nr. 45855-12, hierna: M.F. t. Hongarije), waarin werd vastgesteld dat verdachten tijdens politieverhoren werden mishandeld door de politie.
Oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. Het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) heeft in het rapport waar de raadsman naar verwijst, onderzoek gedaan naar de detentieomstandigheden in Hongarije voor verschillende groepen gedetineerden, waaronder ‘persons in police custody’. Deze bevindingen van het CPT hebben betrekking op de eerste fase van detentie, te weten die onmiddellijk volgend op een aanhouding door de politie. De detentie waarin de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst, is een andere detentie dan de police custody als bedoeld in het rapport. Zie hieromtrent ook de uitspraken van deze rechtbank van 8 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5781 en 8 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3643.
Overigens merkt de rechtbank op dat zij de informatie uit het rapport ook zorgwekkend acht, maar dat het CPT in het rapport vaststelt dat zich geen schendingen van artikel 4 Handvest hebben voorgedaan. Gelet hierop alsook op de reactie van de regering van Hongarije op het rapport waarin wordt ingegaan op alle door de CPT geuite zorgen en aanbevelingen, kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat aan Hongarije overgeleverde personen in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of een vernederende behandeling lopen.
Het beroep van de verdediging op de bovengenoemde arresten van het EHRM maakt dit niet anders.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
9Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Central District Court of Buda (Hongarije).Aldus gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. H. Kijlstra en V.V. Essenburg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 22 mei 2020.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.