Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2019-12-10
ECLI:NL:RBAMS:2019:9289
Internationaal publiekrecht, Strafrecht; Europees strafrecht
Rekestprocedure
1,956 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751881-19
RK nummer: 19/5713
Datum uitspraak: 10 december 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 oktober 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 augustus 2019 door the Central District Court of Buda (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [plaats detentie] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 november 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel, te weten een arrestatiebevel uitgevaardigd op 9 augustus 2019 door the Metropolitan Chief Prosecution Office (referentie: NF.5927/2018/25).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Hongaars recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 14, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Hongaars recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
5Artikel 36 OLW
De raadsvrouw heeft gewezen op het feit dat er tegen de opgeëiste persoon nog een strafzaak in Nederland loopt. Volgens de raadsvrouw dient het overleveringsverzoek op die grond te worden afgewezen.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Los van het feit dat de officier van justitie ter zitting heeft meegedeeld dat de door de raadsvrouw bedoelde strafzaak reeds is afgedaan, is de rechtbank van oordeel dat een nog lopende strafzaak geen omstandigheid vormt die aan de beoordeling van de toelaatbaarheid van het overleveringsverzoek in de weg kan staan. De OLW geeft aan de rechtbank niet de bevoegdheid een overleveringsverzoek te weigeren of een beslissing met betrekking tot de overlevering aan te houden indien in Nederland nog strafvervolgingen tegen de opgeëiste persoon lopen. Openstaande Nederlandse strafzaken zien op een belemmering voor de feitelijke overlevering waarover op grond van artikel 36 van de OLW de officier van justitie dient te beslissen.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het verzoek van de opgeëiste persoon om – vanwege zijn vliegangst – per bus of trein naar Hongarije te worden gebracht, eveneens ter beoordeling is aan de officier van justitie.
6. Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; detentieomstandigheden
6.1
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB, aangezien niet duidelijk is in welke gevangenis de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst. De omstandigheden in sommige Hongaarse gevangenissen zijn dermate slecht dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel risico loopt om te worden blootgesteld aan een onmenselijke en vernederende behandeling. Het subsidiaire verzoek is om de behandeling van de zaak aan te houden om aan de Hongaarse autoriteiten te vragen in welke gevangenis de opgeëiste persoon na overlevering terecht zal komen.
6.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de overlevering kan worden toegestaan. Zij heeft verwezen naar recente jurisprudentie van de rechtbank Amsterdam, waarin is overwogen dat niet langer sprake is van “naar behoren bijgewerkte gegevens” op grond waarvan kan worden vastgesteld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Hongarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld.
6.3
Oordeel van de rechtbank
In haar uitspraak van 27 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:6354) heeft de rechtbank reeds overwogen dat de gegevens op basis waarvan zij in eerdere uitspraken betreffende Hongaarse overleveringsverzoeken heeft geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Hongarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, niet langer kunnen worden aangemerkt als “naar behoren bijgewerkte gegevens”. Ook op dit moment beschikt de rechtbank niet over nieuwe gegevens op basis waarvan een dergelijk reëel gevaar kan worden vastgesteld. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwerpt het verweer.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Central District Court of Buda (Hongarije).
Aldus gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en M.E.M. James-Pater, rechters,
in tegenwoordigheid van N.M. van Trijp, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 10 december 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.