Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2021-01-06
ECLI:NL:RBAMS:2021:20
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,638 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751910-20 (EAB II)
RK nummer: 20/5069
Datum uitspraak: 6 januari 2021
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 oktober 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 februari 2019 door the Miskolc Regional Court, Law Enforcement Unit (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedatum] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 december 2020.
Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie,
mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon – aanwezig via een videoverbinding – is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N. Belkhir, advocaat te Amsterdam, en een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een Judgment No. 3.B.323/2016/65 issued on 7 June 2017 by Mezőkövesd District Court, which became final and binding on 5 December 2017 pursuant to judgment No. 3.Bf.571/2017/11 issued by Miskolc Regional Court, acting as court of second instance.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog negen maanden en 25 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
In het EAB staat:
X 3.4. the person was not personally served with the decision, but
- the person will be personally served with the decision without delay after the surrender; and
- when served with the decision, the person will expressly informed with his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed; and
- the person will be informed of the timeframe within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be as of the date on which he gained knowledge of the final and binding judgment terminating the principal case.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij brief van 5 november 2020 het volgende verklaard:
Consequently, in respect of a convict, the date of his arrest in Holland is not authoritative, the 1 month time limit is reckoned from the date of delivery of the judgement into his own hands within which he may submit a request for retrial. The reason for this request for trial is that he was convicted in his absence. In compliance with the provisions of law specified below, ordering a retrial is mandatory, so it is not subject to the consideration of the court. He may present his defence and evidence during the retrial procedure.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing.
4Strafbaarheid
4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het eerste feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit dit strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft ook de feiten 2 en 3 aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal.
Voorwaarde voor het aankruisen van een lijstfeit is dat – naar het recht van Hongarije – sprake moet zijn van een vrijheidsstraf met een maximum van tenminste drie jaren. Uit onderdeel e) van het EAB volgt echter dat de straf voor de feiten 2 en 3 shall be imprisonment not exceeding two years. Ten aanzien van deze feiten moet daarom de dubbele strafbaarheid worden getoetst.
4.2
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten 2 en 3 niet in redelijkheid aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.
5Detentieomstandigheden in Hongarije
5.1.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering van de opgeëiste persoon moet worden geweigerd, omdat sprake is van een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentie-instellingen. De raadsvrouw heeft hierbij verwezen naar een rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 17 maart 2020. Uit de stukken blijkt niet naar welke gevangenis de opgeëiste persoon zal worden overgebracht; er is daarom onvoldoende duidelijkheid over de betreffende detentieomstandigheden. De raadsvrouw heeft tevens gewezen op het feit dat de opgeëiste persoon van ‘zigeuner-afkomst’ is en dat hij in Hongarije al meermalen te maken heeft gehad met discriminatie vanwege zijn afkomst.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in Hongarije geen beletsel vormen voor overlevering. Zij heeft daarbij verwezen naar recente jurisprudentie van deze rechtbank.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat zij in haar uitspraak van 27 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:6354) heeft geoordeeld dat niet langer sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentie-instellingen.
Het CPT heeft in haar rapport van 17 maart 2020 verslag gedaan van een onderzoek naar de detentieomstandigheden in Hongarije in de periode 20 tot en met 29 november 2018. In dat rapport is vastgesteld dat zich geen schendingen hebben voorgedaan van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Gelet op dit rapport, maar ook op de reactie daarop van de Hongaarse regering waarin wordt ingegaan op alle door de CPT geuite zorgen en aanbevelingen, kan niet de conclusie worden getrokken dat aan Hongarije overgeleverde personen in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of een vernederende behandeling lopen. De rechtbank verwijst ook naar haar uitspraak van 20 mei 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:2673). De raadsvrouw heeft nog gewezen op veroordelingen door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in 2017 en 2019. Deze arresten zien evenwel op voorvallen uit 2010, en kunnen niet worden aangemerkt als actuele informatie die representatief is voor de huidige situatie.
De rechtbank beschikt aldus niet over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden in Hongarije die leiden tot het oordeel dat personen die in Hongarije zijn gedetineerd, een reëel gevaar lopen onmenselijk of vernederend te worden behandeld zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Het verweer wordt daarom verworpen.
6Artikel 47 van het Handvest
De raadsvrouw heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat in Hongarije sprake is van structurele en fundamentele gebreken ten aanzien van de onafhankelijkheid van rechters. Zij heeft hierbij gewezen op het 2020 Rule of Law Report: the rule of law situation in the European Union van de Europese Commissie van 30 september 2020. Hieruit volgt dat er ernstige zorgen zijn over met name Hongarije, welke zorgen met name zien op het rechtssysteem. De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, nu er een gegrond vermoeden bestaat dat inwilliging van het verzoek tot overlevering zou leiden tot een flagrante schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De rechtbank verwijst naar overweging 6.3 in haar uitspraak van 17 oktober 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:7758), welke overweging hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De rechtbank is dus – kort gezegd – van oordeel dat weliswaar sprake is van structurele en fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Hongarije betreft, maar dat uit de thans beschikbare gegevens niet kan worden afgeleid dat de geconstateerde gebreken de onafhankelijkheid van de rechterlijk instanties in Hongarije dusdanig in gevaar brengen, dat hierdoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast. Uit het Rule of Law Report van de Europese Commissie van 30 september 2020 volgt weliswaar dat nog altijd sprake is van een zorgelijke situatie in Hongarije. Het report leidt niet tot een ander oordeel dan is weergegeven in voornoemde uitspraak.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW, en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Miskolc Regional Court, Law Enforcement Unit, Hongarije.
Aldus gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en T.B. Trotman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 6 januari 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
De rechtbank begrijpt: CASE OF M.F. v. HUNGARY, 31 oktober 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:1031JUD004585512 en CASE OF R.S. v. HUNGARY, 2 juli 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0702JUD006529014.