ECLI:NL:RVS:2002:AE9884
2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op ver...
ECLI:NL:RVS:2014:681
ECLI:NL:RVS:2016:2561
en grondslag dat de in dat besluit vermelde criteria "ruimtelijke relevante ontwikkelingen van enige omvang" en "politiek gevoelige ontwikkelingen" dermate ruim en algemeen waren dat het college in wezen de vrije hand was gelaten om de gemeenteraad a...
ECLI:NL:RVS:2002:AE9884
2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op ver...
ECLI:NL:RVS:2016:2561
en grondslag dat de in dat besluit vermelde criteria "ruimtelijke relevante ontwikkelingen van enige omvang" en "politiek gevoelige ontwikkelingen" dermate ruim en algemeen waren dat het college in wezen de vrije hand was gelaten om de gemeenteraad a...
ECLI:NL:RVS:2010:BM2621
tsvinden. Alvorens het college van burgemeester en wethouders omtrent het verlenen van een aanlegvergunning beslist, dient de aanvrager van de aanlegvergunning aan het college een schriftelijk advies van de archeologisch deskundige omtrent h...
ECLI:NL:RVS:2026:4855
or zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de act...
ECLI:NL:RVS:2020:2570
eel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Artikel 4.2, tweede tot en met vierde lid, onderscheidenlijk artikel 4.4, tweede tot en met vierde lid, zijn op deze aanwijzing niet van toepassing. De kennisgeving van het besluit...
ECLI:NL:GHDHA:2017:4270
de wetsgeschiedenis van de genoemde wet kan worden afgeleid dat de wetgever de mogelijkheid van baatafroming, heeft gezien als een spiegelbeeldige toepassing van art. 49 (oud) Wet op de Ruimtelijke Ordening. Minister de Ruiter verklaarde immers:...