BWBV0006410
Geldig vanaf 01-01-1981
Artikel 45
Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lid-Staten der Europese Gemeenschappen) en de Helleense Republiek betreffende de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie
1. De artikelen 1 tot en met 6 en 13 tot en met 23 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap zijn in de huidige Lid-Staten ten aanzien van Griekse onderdanen en in Griekenland ten aanzien van onderdanen van de huidige Lid-Staten eerst van toepassing vanaf 1 januari 1988.
De huidige Lid-Staten en de Helleense Republiek zijn bevoegd, onderscheidenlijk ten aanzien van Griekse onderdanen en ten aanzien van onderdanen van de huidige Lid-Staten, tot en met 1 januari 1988 de nationale bepalingen waarbij immigratie met het oog op het verrichten van arbeid in loondienst en/of toegang tot arbeid in loondienst aan een voorafgaande vergunning wordt onderworpen, te handhaven.
2. Artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 is in de huidige Lid-Staten ten aanzien van Griekse onderdanen en in Griekenland ten aanzien van onderdanen van de huidige Lid-Staten eerst van toepassing vanaf 1 januari 1986.
Familieleden van de werknemer in de zin van artikel 10 van genoemde verordening hebben evenwel het recht een betrekking te hebben op het grondgebied van de Lid-Staat waar zij met de werknemer zijn geïnstalleerd, indien zij ten minste sedert drie jaar op dit grondgebied verblijven. Deze verblijfstermijn wordt met ingang van 1 januari 1984 tot op 18 maanden teruggebracht.
De bepalingen van dit lid doen geen afbreuk aan gunstiger nationale bepalingen.
De huidige Lid-Staten en de Helleense Republiek zijn bevoegd, onderscheidenlijk ten aanzien van Griekse onderdanen en ten aanzien van onderdanen van de huidige Lid-Staten, tot en met 1 januari 1988 de nationale bepalingen waarbij immigratie met het oog op het verrichten van arbeid in loondienst en/of toegang tot arbeid in loondienst aan een voorafgaande vergunning wordt onderworpen, te handhaven.
2. Artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 is in de huidige Lid-Staten ten aanzien van Griekse onderdanen en in Griekenland ten aanzien van onderdanen van de huidige Lid-Staten eerst van toepassing vanaf 1 januari 1986.
Familieleden van de werknemer in de zin van artikel 10 van genoemde verordening hebben evenwel het recht een betrekking te hebben op het grondgebied van de Lid-Staat waar zij met de werknemer zijn geïnstalleerd, indien zij ten minste sedert drie jaar op dit grondgebied verblijven. Deze verblijfstermijn wordt met ingang van 1 januari 1984 tot op 18 maanden teruggebracht.
De bepalingen van dit lid doen geen afbreuk aan gunstiger nationale bepalingen.
- Citeren als
- Art. 45
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0006410
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl