BWBV0001124
Geldig vanaf 01-02-2003
Artikel 3.20
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot regeling van het scheepvaartverkeer en van de recreatie op de gemeenschappelijke Maas
1. Een schip dat direct of indirect aan de oever gemeerd ligt, moet voeren: een wit gewoon rondom schijnend licht aan de zijde van het vaarwater op een hoogte van tenminste 3 m.
2. Een klein schip dat stilligt, met uitzondering van de bijboot van een schip, moet voeren: een wit gewoon rondom schijnend licht waar dit het best kan worden gezien.
3. De in dit artikel bedoelde lichten behoeven niet te worden gevoerd door een schip:
a. dat ligt in een gedeelte van de vaarweg, aangewezen door de bevoegde autoriteit;
b. dat ligt in een gedeelte van de vaarweg waar varen niet mogelijk dan wel verboden is;
c. dat direct of indirect aan de oever gemeerd ligt en vanwege aldaar aanwezige verlichting voldoende zichtbaar is;
d. dat op een veilige ligplaats ligt.
4. Dit artikel is niet van toepassing op de schepen, bedoeld in artikel 3.27.
2. Een klein schip dat stilligt, met uitzondering van de bijboot van een schip, moet voeren: een wit gewoon rondom schijnend licht waar dit het best kan worden gezien.
3. De in dit artikel bedoelde lichten behoeven niet te worden gevoerd door een schip:
a. dat ligt in een gedeelte van de vaarweg, aangewezen door de bevoegde autoriteit;
b. dat ligt in een gedeelte van de vaarweg waar varen niet mogelijk dan wel verboden is;
c. dat direct of indirect aan de oever gemeerd ligt en vanwege aldaar aanwezige verlichting voldoende zichtbaar is;
d. dat op een veilige ligplaats ligt.
4. Dit artikel is niet van toepassing op de schepen, bedoeld in artikel 3.27.
- Citeren als
- Art. 3.20
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0001124
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl