BWBV0001124
Geldig vanaf 01-02-2003
Artikel 2.02a
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot regeling van het scheepvaartverkeer en van de recreatie op de gemeenschappelijke Maas
1. Een varend klein schip, niet bestemd of gebezigd voor het vervoer van goederen, moet aan boord hebben:
a. een of meer pagaaien of roeispanen;
b. voor iedere persoon aan boord, binnen handbereik, hetzij een reddingsgordel, een reddingskussen of een reddingsvest;
c. een touw van 30 meter;
d. een of meer meertouwen van 10 m;
e. een anker of een dreg;
f. een hoosvat of een handpomp;
g. een misthoorn of toeter;
h. een goedgekeurde poederblusser indien het een klein motorschip is.
2. Onverminderd het eerste lid mag een snelle motorboot slechts deelnemen aan de scheepvaart indien deze tevens voldoet aan de volgende eisen:
a. de stuurinrichting moet deugdelijk en doelmatig zijn;
b. de inrichting van de boot en van de motor moet zodanig zijn dat gevaar voor brand of ontploffing en hinder voor de omgeving door rook, damp of walm wordt voorkomen;
c. de uitlaatgassen moeten door een behoorlijk geluiddempende inrichting worden afgevoerd;
d. de boot moet zijn voorzien van een technische inrichting waardoor bij het onderbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand komen.
a. een of meer pagaaien of roeispanen;
b. voor iedere persoon aan boord, binnen handbereik, hetzij een reddingsgordel, een reddingskussen of een reddingsvest;
c. een touw van 30 meter;
d. een of meer meertouwen van 10 m;
e. een anker of een dreg;
f. een hoosvat of een handpomp;
g. een misthoorn of toeter;
h. een goedgekeurde poederblusser indien het een klein motorschip is.
2. Onverminderd het eerste lid mag een snelle motorboot slechts deelnemen aan de scheepvaart indien deze tevens voldoet aan de volgende eisen:
a. de stuurinrichting moet deugdelijk en doelmatig zijn;
b. de inrichting van de boot en van de motor moet zodanig zijn dat gevaar voor brand of ontploffing en hinder voor de omgeving door rook, damp of walm wordt voorkomen;
c. de uitlaatgassen moeten door een behoorlijk geluiddempende inrichting worden afgevoerd;
d. de boot moet zijn voorzien van een technische inrichting waardoor bij het onderbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand komen.
- Citeren als
- Art. 2.02a
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0001124
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl