BWBR0051667
Geldig vanaf 2025-10-29
Artikel 4
Universele uitvoeringsvoorschriften belastingverdragen 2025, uitgezonderd het belastingverdrag met de VS
1. Een inhoudingsplichtige die dividenden betaalt aan een lichaam dat inwoner is van een verdragsland en dat een minimumdeelneming houdt in die inhoudingsplichtige is, indien voldaan wordt aan alle voorwaarden in het verdrag, bevoegd om inhouding van dividendbelasting op grond van het verdrag geheel of gedeeltelijk achterwege te laten. De inhoudingsplichtige dient daartoe een verzoek in bij de Belastingdienst/kantoor Arnhem, Team dividendbelasting, Postbus 9007, 6800 DJ Arnhem.
2. In het verzoek wordt opgaaf verstrekt van:
a. de naam, het adres, de vestigingsplaats en het RSIN van de inhoudingsplichtige, bedoeld in het eerste lid;
b. de naam, het adres en de vestigingsplaats van het buitenlandse lichaam, bedoeld in het eerste lid;
c. het bedrag van het geplaatste en gestorte kapitaal van de inhoudingsplichtige;
d. het gedeelte van het kapitaal van de inhoudingsplichtige dat het in het eerste lid bedoelde buitenlandse lichaam onmiddellijk of middellijk bezit;
e. gegevens met betrekking tot de toepassing van een artikel in het verdrag dat dezelfde strekking heeft als artikel 10, eerste, tweede en derde lid, van het MLI dan wel artikel 29, achtste lid, van het OESO-modelverdrag 2017, indien artikel 10 van het MLI doorwerkt in het verdrag dan wel een dergelijke bepaling is opgenomen in het verdrag;
f. gegevens met betrekking tot de overige niet hiervoor vermelde voorwaarden indien deze in het verdrag (mede) als voorwaarde worden gesteld voor het verkrijgen van de voordelen waarop het verzoek betrekking heeft.
3. Op een verzoek als bedoeld in het eerste lid beslist de inspecteur van het organisatieonderdeel van de Belastingdienst onder wie de inhoudingsplichtige ressorteert bij voor bezwaar vatbare beschikking.
4. Indien de inspecteur gunstig op het verzoek beslist, blijft zijn beslissing van kracht met betrekking tot elk daarin genoemd lichaam, zolang deze lichamen inwoner zijn voor het verdrag en voldoen aan de overige voorwaarden van het verdrag voor het verkrijgen van de voordelen waarop het verzoek betrekking heeft, maar ten hoogste gedurende het lopende kalenderjaar en de vier daaropvolgende kalenderjaren. De inhoudingsplichtige aan wie blijkt of die redelijkerwijs moet vermoeden dat zulks in enig opzicht niet meer het geval is, is gehouden daarvan aan vorenbedoelde inspecteur schriftelijk mededeling te doen vóór de eerstvolgende vaststelling van dividend.
2. In het verzoek wordt opgaaf verstrekt van:
a. de naam, het adres, de vestigingsplaats en het RSIN van de inhoudingsplichtige, bedoeld in het eerste lid;
b. de naam, het adres en de vestigingsplaats van het buitenlandse lichaam, bedoeld in het eerste lid;
c. het bedrag van het geplaatste en gestorte kapitaal van de inhoudingsplichtige;
d. het gedeelte van het kapitaal van de inhoudingsplichtige dat het in het eerste lid bedoelde buitenlandse lichaam onmiddellijk of middellijk bezit;
e. gegevens met betrekking tot de toepassing van een artikel in het verdrag dat dezelfde strekking heeft als artikel 10, eerste, tweede en derde lid, van het MLI dan wel artikel 29, achtste lid, van het OESO-modelverdrag 2017, indien artikel 10 van het MLI doorwerkt in het verdrag dan wel een dergelijke bepaling is opgenomen in het verdrag;
f. gegevens met betrekking tot de overige niet hiervoor vermelde voorwaarden indien deze in het verdrag (mede) als voorwaarde worden gesteld voor het verkrijgen van de voordelen waarop het verzoek betrekking heeft.
3. Op een verzoek als bedoeld in het eerste lid beslist de inspecteur van het organisatieonderdeel van de Belastingdienst onder wie de inhoudingsplichtige ressorteert bij voor bezwaar vatbare beschikking.
4. Indien de inspecteur gunstig op het verzoek beslist, blijft zijn beslissing van kracht met betrekking tot elk daarin genoemd lichaam, zolang deze lichamen inwoner zijn voor het verdrag en voldoen aan de overige voorwaarden van het verdrag voor het verkrijgen van de voordelen waarop het verzoek betrekking heeft, maar ten hoogste gedurende het lopende kalenderjaar en de vier daaropvolgende kalenderjaren. De inhoudingsplichtige aan wie blijkt of die redelijkerwijs moet vermoeden dat zulks in enig opzicht niet meer het geval is, is gehouden daarvan aan vorenbedoelde inspecteur schriftelijk mededeling te doen vóór de eerstvolgende vaststelling van dividend.