BWBR0051667
Geldig vanaf 2025-10-29
Artikel 1.4
Universele uitvoeringsvoorschriften belastingverdragen 2025, uitgezonderd het belastingverdrag met de VS
Dit besluit is een actualisering van de Universele Nederlandse uitvoeringsvoorschriften 2015 inzake belastingverdragen, uitgezonderd het belastingverdrag met de Verenigde Staten van Amerika, en de Belastingregeling Nederland Curaçao.
Naast redactionele wijzigingen bestaat deze actualisering uit:
– het niet meer afzonderlijk noemen van de belastingverdragen waarop deze uitvoeringsvoorschriften zien;
– het vervallen van artikel 2, tweede lid (oud). De inhoud hiervan is overgegaan naar artikel 2, eerste lid;
– het vervallen van de bijzondere teruggaafprocedure voor Nederlandse dividendbelasting met betrekking tot portfoliodividenden. Deze valt nu onder de teruggaafprocedure in artikel 3, omdat deze bijzondere teruggaafprocedure niet meer afwijkt van de procedure in artikel 3;
– het in (het vernummerde) artikel 4 (artikel 5 oud), tweede lid, onderdeel a opvragen van gegevens van de inhoudingsplichtige bij de indiening van het verzoek om toepassing van de vrijstellingsprocedure;
– het vervallen van artikel 5, tweede lid onderdelen d tot en met f (oud). Deze bepalingen vallen onder het bereik van (het vernummerde) artikel 4, tweede lid, onderdeel f;
– een aanpassing van de adressering van het postadres in (het vernummerde) artikel 5, tweede lid voor een teruggaafverzoek bij deelnemingsdividenden;
– het vervallen van artikel 5, vierde lid (oud) waarin was geregeld dat voor de toepassing van de Belastingregeling Nederland Curaçao de inspecteur van het APA-/ATR-team van Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) bevoegd is te beslissen op het verzoek ontslagen te worden van de verplichting om niet-verschuldigde dividendbelasting in te houden;
– het vervallen van artikel 6, vierde lid (oud) waarin was geregeld dat voor de toepassing van de Belastingregeling Nederland Curaçao de inspecteur van het APA-/ATR-team van Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) bevoegd is te beslissen op het verzoek om teruggave van dividendbelasting;
– het vervallen van artikel 7 (oud) dat betrekking had op de (per 31 december 2019 vervallen) tijdelijke regeling voor deelnemingsdividenden in de Belastingregeling Nederland Curaçao;
– het vervallen van artikel 10 (oud) waarin geregeld was dat reeds bestaande beschikkingen nog maximaal vier jaren geldig blijven gerekend vanaf 4 februari 2015;
– het vervallen van artikel 11 (oud) waarin was geregeld dat de in deze regeling bedoelde formulieren van rijkswege worden verstrekt en op aanvraag kosteloos verkrijgbaar zijn. Deze formulieren zijn nu te vinden op de website van de Belastingdienst;
– het vervallen van artikel 13a. Hierin werden enkele vervallen bijlagen opgesomd;
– het intrekken van de Uitvoeringsvoorschriften artikel 11 Belastingregeling voor het Koninkrijk (Curaçao en Sint Maarten), vanwege het vervallen van de onderliggende bepalingen.
Naast redactionele wijzigingen bestaat deze actualisering uit:
– het niet meer afzonderlijk noemen van de belastingverdragen waarop deze uitvoeringsvoorschriften zien;
– het vervallen van artikel 2, tweede lid (oud). De inhoud hiervan is overgegaan naar artikel 2, eerste lid;
– het vervallen van de bijzondere teruggaafprocedure voor Nederlandse dividendbelasting met betrekking tot portfoliodividenden. Deze valt nu onder de teruggaafprocedure in artikel 3, omdat deze bijzondere teruggaafprocedure niet meer afwijkt van de procedure in artikel 3;
– het in (het vernummerde) artikel 4 (artikel 5 oud), tweede lid, onderdeel a opvragen van gegevens van de inhoudingsplichtige bij de indiening van het verzoek om toepassing van de vrijstellingsprocedure;
– het vervallen van artikel 5, tweede lid onderdelen d tot en met f (oud). Deze bepalingen vallen onder het bereik van (het vernummerde) artikel 4, tweede lid, onderdeel f;
– een aanpassing van de adressering van het postadres in (het vernummerde) artikel 5, tweede lid voor een teruggaafverzoek bij deelnemingsdividenden;
– het vervallen van artikel 5, vierde lid (oud) waarin was geregeld dat voor de toepassing van de Belastingregeling Nederland Curaçao de inspecteur van het APA-/ATR-team van Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) bevoegd is te beslissen op het verzoek ontslagen te worden van de verplichting om niet-verschuldigde dividendbelasting in te houden;
– het vervallen van artikel 6, vierde lid (oud) waarin was geregeld dat voor de toepassing van de Belastingregeling Nederland Curaçao de inspecteur van het APA-/ATR-team van Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) bevoegd is te beslissen op het verzoek om teruggave van dividendbelasting;
– het vervallen van artikel 7 (oud) dat betrekking had op de (per 31 december 2019 vervallen) tijdelijke regeling voor deelnemingsdividenden in de Belastingregeling Nederland Curaçao;
– het vervallen van artikel 10 (oud) waarin geregeld was dat reeds bestaande beschikkingen nog maximaal vier jaren geldig blijven gerekend vanaf 4 februari 2015;
– het vervallen van artikel 11 (oud) waarin was geregeld dat de in deze regeling bedoelde formulieren van rijkswege worden verstrekt en op aanvraag kosteloos verkrijgbaar zijn. Deze formulieren zijn nu te vinden op de website van de Belastingdienst;
– het vervallen van artikel 13a. Hierin werden enkele vervallen bijlagen opgesomd;
– het intrekken van de Uitvoeringsvoorschriften artikel 11 Belastingregeling voor het Koninkrijk (Curaçao en Sint Maarten), vanwege het vervallen van de onderliggende bepalingen.