BWBR0051578
Geldig vanaf 2025-10-09
Artikel 5
Tijdelijke Subsidieregeling stimulering opschaling watertechnologische innovaties voor testen in een pilotomgeving
1. Het subsidieplafond voor deze regeling bedraagt € 18,4 miljoen en bestaat uit
a. een bedrag van € 10 miljoen voor de eerste uitvoerperiode, bedoeld in artikel 6, tweede lid; en
b. een bedrag van € 8,4 miljoen voor de tweede uitvoerperiode, bedoeld in artikel 6, derde lid.
2. Indien na afloop van de eerste uitvoerperiode de daarvoor beschikbare middelen niet zijn uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor de tweede uitvoerperiode.
3. De subsidie voor experimentele ontwikkeling door een onderneming bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten en kan worden opgehoogd naar 30% tot een maximum van € 1,5 miljoen per project:
a. in het geval één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b van de AGVV is vervuld;
b. voor kleine ondernemingen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel a, van de AGVV; of
c. voor middelgrote ondernemingen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel a, van de AGVV.
4. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie.
5. De subsidie bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een publieke of semi-publieke partij.
6. Indien voor de berekening van de subsidiabele kosten uurtarieven worden gehanteerd, wordt gebruik gemaakt van:
a. een berekening op basis van de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit subsidies I en M;
b. een berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitaire opslag van 50% voor indirecte kosten, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van het Kaderbesluit subsidies I en M; of
c. een berekening op basis van een forfaitair uurtarief van € 60,–.
7. De aanvragen worden ter beoordeling voorgelegd aan de adviescommissie.
8. De subsidie wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen, waarbij de tijdig en volledig ingediende subsidieaanvragen worden gerangschikt naar geschiktheid op grond van de volgende criteria:
a. de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van Programma 2 en UPPWATER als geheel en aan de focusgebieden in het bijzonder;
b. de mate waarin het project innovatief is;
c. de mate waarin, middels het exploitatieplan, het project financieel en economisch toekomstperspectief heeft; en
d. de mate van uitvoerbaarheid van het project.
9. Voor de rangschikking scoort het project ten minste 50 van de maximaal 100 toe te kennen punten, waarbij per criterium als bedoeld in het vijfde lid een maximum van 25 punten wordt toegekend en de aanvraag met de meeste punten het hoogst wordt gerangschikt.
10. Indien aan twee of meer projecten een gelijk aantal punten is toegekend worden de aanvragen daarvoor gerangschikt naar focusgebied, waarbij de aanvraag voor het project dat bijdraagt aan een focusgebied waarvoor de minste aanvragen zijn ingediend het hoogst wordt gerangschikt.
a. een bedrag van € 10 miljoen voor de eerste uitvoerperiode, bedoeld in artikel 6, tweede lid; en
b. een bedrag van € 8,4 miljoen voor de tweede uitvoerperiode, bedoeld in artikel 6, derde lid.
2. Indien na afloop van de eerste uitvoerperiode de daarvoor beschikbare middelen niet zijn uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor de tweede uitvoerperiode.
3. De subsidie voor experimentele ontwikkeling door een onderneming bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten en kan worden opgehoogd naar 30% tot een maximum van € 1,5 miljoen per project:
a. in het geval één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b van de AGVV is vervuld;
b. voor kleine ondernemingen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel a, van de AGVV; of
c. voor middelgrote ondernemingen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel a, van de AGVV.
4. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie.
5. De subsidie bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een publieke of semi-publieke partij.
6. Indien voor de berekening van de subsidiabele kosten uurtarieven worden gehanteerd, wordt gebruik gemaakt van:
a. een berekening op basis van de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit subsidies I en M;
b. een berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitaire opslag van 50% voor indirecte kosten, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van het Kaderbesluit subsidies I en M; of
c. een berekening op basis van een forfaitair uurtarief van € 60,–.
7. De aanvragen worden ter beoordeling voorgelegd aan de adviescommissie.
8. De subsidie wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen, waarbij de tijdig en volledig ingediende subsidieaanvragen worden gerangschikt naar geschiktheid op grond van de volgende criteria:
a. de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van Programma 2 en UPPWATER als geheel en aan de focusgebieden in het bijzonder;
b. de mate waarin het project innovatief is;
c. de mate waarin, middels het exploitatieplan, het project financieel en economisch toekomstperspectief heeft; en
d. de mate van uitvoerbaarheid van het project.
9. Voor de rangschikking scoort het project ten minste 50 van de maximaal 100 toe te kennen punten, waarbij per criterium als bedoeld in het vijfde lid een maximum van 25 punten wordt toegekend en de aanvraag met de meeste punten het hoogst wordt gerangschikt.
10. Indien aan twee of meer projecten een gelijk aantal punten is toegekend worden de aanvragen daarvoor gerangschikt naar focusgebied, waarbij de aanvraag voor het project dat bijdraagt aan een focusgebied waarvoor de minste aanvragen zijn ingediend het hoogst wordt gerangschikt.