BWBR0051578
Geldig vanaf 2025-10-09
Artikel 12
Tijdelijke Subsidieregeling stimulering opschaling watertechnologische innovaties voor testen in een pilotomgeving
1. Het consortium realiseert ten minste 30% van het projectbudget uit private middelen.
2. Een consortium bestaat uit ten minste:
a. één Nederlandse technologieontwikkelaar;
b. één Nederlandse partij die de technologie naar de markt wenst te brengen, die dezelfde partij kan zijn als de technologieontwikkelaar;
c. één Nederlandse onderzoeksorganisatie met minimaal een uitvoerende rol in de opschaling van de innovatie naar een pilotomgeving;
d. één eindgebruiker.
3. Alle deelnemende partijen in het consortium hebben een substantiële vestiging die in stand blijft tot in ieder geval de datum waarop de beschikking tot vaststelling van de subsidie onherroepelijk is geworden.
4. Een buitenlandse partij die onderdeel uitmaakt van een consortium kan subsidie ontvangen, mits de inbreng van deze partij in het project bijdraagt aan een toename van het Nederlandse verdienvermogen.
5. De deelnemende ondernemingen in het consortium zijn ten opzichte van elkaar in ieder geval aan te merken als zelfstandige ondernemingen als bedoeld in artikel 3 van Bijlage 1 van Verordening 651/2014.
6. Het consortium verstrekt gedurende de looptijd van het project jaarlijks, uiterlijk op 1 februari, een voortgangsrapportage over het daaraan voorafgaande kalenderjaar aan de minister.
7. De voortgangsrapportage wordt opgesteld met gebruikmaking van het format, bedoeld in artikel 9, tweede lid, en bevat in ieder geval:
a. inzicht in de kwantitatieve en kwalitatieve voortgang van het project;
b. een beschrijving van de gerealiseerde activiteiten;
c. een overzicht en onderbouwing van de gemaakte kosten voor de gerealiseerde activiteiten.
8. De uitvoering van het project waarvoor subsidie is verleend, start binnen drie maanden na de dagtekening van het besluit tot verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 9.
9. Het project waarvoor subsidie is verleend, is binnen 48 maanden na dagtekening van het besluit tot verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 9, voltooid.
10. De termijnen, bedoeld in het achtste en negende lid, kunnen op onderbouwd verzoek van de aanvrager eenmalig worden verlengd met 21 weken.
2. Een consortium bestaat uit ten minste:
a. één Nederlandse technologieontwikkelaar;
b. één Nederlandse partij die de technologie naar de markt wenst te brengen, die dezelfde partij kan zijn als de technologieontwikkelaar;
c. één Nederlandse onderzoeksorganisatie met minimaal een uitvoerende rol in de opschaling van de innovatie naar een pilotomgeving;
d. één eindgebruiker.
3. Alle deelnemende partijen in het consortium hebben een substantiële vestiging die in stand blijft tot in ieder geval de datum waarop de beschikking tot vaststelling van de subsidie onherroepelijk is geworden.
4. Een buitenlandse partij die onderdeel uitmaakt van een consortium kan subsidie ontvangen, mits de inbreng van deze partij in het project bijdraagt aan een toename van het Nederlandse verdienvermogen.
5. De deelnemende ondernemingen in het consortium zijn ten opzichte van elkaar in ieder geval aan te merken als zelfstandige ondernemingen als bedoeld in artikel 3 van Bijlage 1 van Verordening 651/2014.
6. Het consortium verstrekt gedurende de looptijd van het project jaarlijks, uiterlijk op 1 februari, een voortgangsrapportage over het daaraan voorafgaande kalenderjaar aan de minister.
7. De voortgangsrapportage wordt opgesteld met gebruikmaking van het format, bedoeld in artikel 9, tweede lid, en bevat in ieder geval:
a. inzicht in de kwantitatieve en kwalitatieve voortgang van het project;
b. een beschrijving van de gerealiseerde activiteiten;
c. een overzicht en onderbouwing van de gemaakte kosten voor de gerealiseerde activiteiten.
8. De uitvoering van het project waarvoor subsidie is verleend, start binnen drie maanden na de dagtekening van het besluit tot verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 9.
9. Het project waarvoor subsidie is verleend, is binnen 48 maanden na dagtekening van het besluit tot verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 9, voltooid.
10. De termijnen, bedoeld in het achtste en negende lid, kunnen op onderbouwd verzoek van de aanvrager eenmalig worden verlengd met 21 weken.