BWBR0051138
Geldig vanaf 2025-09-30
Artikel 2
Regeling kansrijke wijk (tweede tranche)
1. De minister kan voor de jaren 2026, 2027 en 2028 aan een gemeente die deelneemt aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid een specifieke uitkering verstrekken voor:
a. de organisatie van een uitvoeringsprogramma in het stedelijk focusgebied of de stedelijke focusgebieden;
b. de bekostiging van activiteiten ten behoeve van te behalen resultaten die bijdragen aan de doelstellingen van het onderdeel ‘meedoen in de samenleving’ van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid;
c. de bekostiging van integrale activiteiten ten behoeve van te behalen resultaten als bedoeld in artikel 4.
2. De te behalen resultaten, bedoeld in het eerste lid, onder b, hebben betrekking op de volgende thema’s:
a. re-integratie en preventie geldzorgen, genoemd in artikel 5;
b. school en omgeving, genoemd in artikel 6;
c. ontwikkeling van het jonge kind, genoemd in artikel 7;
d. maatschappelijke samenhang, genoemd in artikel 7a;
e. financiële educatie, genoemd in artikel 7b.
3. De uitkering wordt verleend onder de voorwaarde dat in de begroting voldoende middelen ter beschikking worden gesteld. Ten aanzien van de uitkering is artikel 4:34 van de Algemene wet bestuursrechtvan overeenkomstige toepassing.
4. Aan de bekostiging van de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden voorwaarden gesteld die in de artikelen 3 tot en met 8zijn genoemd.
a. de organisatie van een uitvoeringsprogramma in het stedelijk focusgebied of de stedelijke focusgebieden;
b. de bekostiging van activiteiten ten behoeve van te behalen resultaten die bijdragen aan de doelstellingen van het onderdeel ‘meedoen in de samenleving’ van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid;
c. de bekostiging van integrale activiteiten ten behoeve van te behalen resultaten als bedoeld in artikel 4.
2. De te behalen resultaten, bedoeld in het eerste lid, onder b, hebben betrekking op de volgende thema’s:
a. re-integratie en preventie geldzorgen, genoemd in artikel 5;
b. school en omgeving, genoemd in artikel 6;
c. ontwikkeling van het jonge kind, genoemd in artikel 7;
d. maatschappelijke samenhang, genoemd in artikel 7a;
e. financiële educatie, genoemd in artikel 7b.
3. De uitkering wordt verleend onder de voorwaarde dat in de begroting voldoende middelen ter beschikking worden gesteld. Ten aanzien van de uitkering is artikel 4:34 van de Algemene wet bestuursrechtvan overeenkomstige toepassing.
4. Aan de bekostiging van de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden voorwaarden gesteld die in de artikelen 3 tot en met 8zijn genoemd.